Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

28 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `goud`

  1. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding (=wie zich mooi aankleedt wordt daarmee zelf nog niet mooi)
  2. als een pareltje in het goud zitten (=zich tussen aangename personen (buren) bevinden)
  3. de dans om het gouden kalf (=de strijd om rijk te worden)
  4. de kip met gouden eieren slachten (=een iets met veel rendement wegdoen)
  5. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten)
  6. een goed hart is goud waard (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
  7. een goede daad is goud waard (=iemand helpen is goed)
  8. een gouden dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
  9. een gouden hart hebben (=heel aardig/lief zijn)
  10. Een gouden zadel maakt geen ezel tot paard. (=Een mens verandert niet door uiterlijkheden)
  11. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn brood)
  12. een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
  13. eigen haard is goud waard (=het is nergens zo mooi als thuis / men hecht veel waarde aan het eigen bezit)
  14. goede raad is goud waard (=met goede aanwijzingen kan je heel veel doen)
  15. gouden appels op zilveren schalen (=iets is erg prachtig/goed/verstandig (verwoord))
  16. gouden bergen beloven (=heel veel (onmogelijks) beloven)
  17. gouden handdruk (=grote afscheidspremie)
  18. het gouden kalf aanbidden (=de hoogste waarde hechten aan geld / zich onderdanig gedragen tegenover rijken)
  19. het is niet al goud wat blinkt (=schijn bedriegt)
  20. hij heeft met een zilveren (of gouden) hengel gevist (=die heeft vis gekocht in plaats van gevangen. Ook: met bedrog zijn doel bereiken)
  21. iemand koeien met gouden horens beloven (=iets moois beloven maar niet nakomen)
  22. iets voor geen goud willen doen (=iets absoluut niet willen doen)
  23. koeien met gouden horens beloven (=het onmogelijke beloven)
  24. met een gouden hengel vissen (=door bedrog zijn doel halen)
  25. met gouden balken (=met een hypotheek (met lening))
  26. op een goudschaaltje leggen/wegen (=heel voorzichtig afwegen)
  27. pimpelpaars met een goud randje (=met ondefinieerbare kleur)
  28. zijn woorden op een goudschaaltje wegen (=uiterst weloverwogen spreken)

Het dialectenwoordenboek kent 31 spreekwoorden met `goud`

  1. Gouda: #Carpediem (=#YOLO)
  2. Gemerts: het is langs het goud zun deur gekomme (=iets wat lijkt op goud)
  3. Gouda: Jehova und Fruitloop (=Duurt lang)
  4. Ninoofs: 't es (ooëtj 't) zoogemeel (=het is geen echt goud)
  5. Veurns: Zwieg'n ku nie verbeeterd zien (=Zwijgen is goud waard)
  6. Munsterbilzen - Minsters: et moete goej spraekers zin daaj zwijgers konne verbaetere (=spreken is zilver, zwijgen is goud)
  7. Lichtervelds: zn zoake floreert (=hij doet gouden zaken)
  8. Gouda: Voor gaas gaan (=Toch ergens voor vallen, ergens intuinen)
  9. Gouda: t regent zo hard als t vege ken (=t regent pijpestelen)
  10. Gronings: t is ain mouders goud (=het is allemaal hetzelfde)
  11. Drents Kanoals: noit goud gossel (=niet helemaal oke)
  12. Haags: spreke is zilvâh zwège is gâhd (=spreken is zilver zwijgen is goud)
  13. brabants: D' urste krèij vêngt de piere. (=De morgenstond heeft goud in de mond)
  14. gouda: Ik heb de productie van mn anus opgevoerd (=Ik heb net een aardige drol gedraaid)
  15. Gouda: Tobbe tobbe mettet bootje naar Ouwewater (=Tobben met het bootje naar Oudewater)
  16. Gouda: Eten als een dijker (=Veel trek hebben)
  17. Veurns: 't is nie ol gin goed dat blienkt, en slicht da stienkt! (=Nietalles wat blinkt is goud, en niet alles wat stinkt is slecht.)
  18. Katwijks: katwijk blinkt naar goud zilver, noordwijk naar kak en pis (=geen idee)
  19. Gouda: krabbelen om een cent (=elk dubbeltje omdraaien)
  20. Gouda: Kaik es effies (=Kijk eens even)
  21. Fries: moarns let, de hiele dei nei de kloaten (=de morgenstond heeft goud in de mond)
  22. gouda: Ik voel me als een buschauffeur in Oosterwei (=Ik voel me onveilig)
  23. Sallands: okal drög 'n aap 'n golden ring, 't is en blif 'n lilluk ding. (=ookal draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.)
  24. Twents: trouwen: ie denk daj der gold vindt ma ie vindt d'r nog gien roestigen spieker (=trouwen: je denkt dat je goud vindt, maar je vindt nog geen roesterige spijker)
  25. Gouda: Ik zie de wereld voor 'n doedelzak an (=Ik voel me draaierig/niet lekker)
  26. Sittards: goud begónne is hawf taergeldj (=Een goed begin is het halve werk)
  27. Sittards: neit goud sjang zeen (=niet goed bij zijn hoofd zijn)
  28. Tiens: Een vits oep ur muil kraaige of intige koenkels oep oejer snaat kreege of spowen kreege of intige rabasse gejeve of nest kreege of eemand neki goud inkappe (=Een slag op het gezicht krijgen)
  29. Gouda: Ik geef mijn bek ook maar een douw (=Ik zeg ook maar wat)
  30. Rotterdams: Je ken een hoop stront paars verruve, maar ut blijf een hoop stront (=Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.)
  31. Rotterdams: Hij is met de muziek mee naar gouda (=Iemand die weg, en waarvan ze niet weten waar hij is)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen