67 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `trek`
- iemand een kies trekken (=iemand veel geld afnemen)
- je handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
- je kan een paard wel in het water trekken, maar niet dwingen dat het drinkt. (=je moet iemand niet dwingen, zelfs niet tot iets leuks)
- je trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek))
- lelijke streken op zijn kompas hebben (=gemene en lelijke streken uithalen)
- leringen wekken maar voorbeelden trekken (=je kan mensen iets willen leren , maar geef vooral het goede voorbeeld)
- met de nachtschuit vertrekken (=er erg stilletjes vandoor gaan)
- met de noorderzon vertrekken (=onaangekondigd vertrekken en niets meer van zich laten horen)
- met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=boos naar iemand toe gaan of boos bij iemand binnen komen)
- met stille trom vertrekken (=vertrekken zonder iemand het te laten weten)
- niet aan zijn trekken komen (=niet krijgen wat men wil)
- ongelijke paarden trekken kwalijk. (=mensen die teveel verschillen in kwaliteiten, werken vaak niet goed samen)
- streken onder je staart hebben. (=niet te vertrouwen zijn)
- trekken aan een dood paard. (=het is een onbegonnen zaak)
- van leer trekken (=beginnen met vechten, duidelijk laten merken dat iets als vervelend ervaren wordt)
- wie de schoen past trekke hem aan (=wie schuldig is mag zich aangesproken voelen)
- ze trekken om het langst (=ze willen beide winnen)
59 betekenissen bevatten `trek`
- in zijn schulp kruipen (=zich in zichzelf terugtrekken, niet verder aandringen)
- er heet noch koud van worden (=zich nergens iets van aantrekken)
- maling aan iets of iemand hebben (=zich nergens iets van aantrekken)
- iets over z`n kant laten gaan (=zich nergens iets van aantrekken)
- god noch gebod vrezen (=zich nergens iets van aantrekken - een misdadig leven leiden)
- ijskoud zijn gang gaan (=zich nergens van aantrekken)
- een loopje met iemand nemen (=zich weinig van iemand aantrekken (die de leiding heeft))
- uit het zadel lichten (=zijn rang of stand of betrekking doen verliezen)
- zonder aanzien des persoons (=zonder iemand voor te trekken; zonder er rekening mee te houden om wie het gaat)
50 dialectgezegden bevatten `trek`
- Hae trék op zene aaë, mér den dektaur zék dattet miëglek nog goed kûmp mettem (=Als dat maar goed komt) (Bilzers)
- hae trèk traut (=hij gaat er stiekem vanonder) (Munsterbilzen - Minsters)
- hae trék van de gemeinte (=hij leeft van de openbare onderstand (ocmw)) (Munsterbilzen - Minsters)
- hae trèk zich de hoëre autte kop (=de kapper zit met de handen in het haar) (Munsterbilzen - Minsters)
- hae trèk zich van god noch gebod get aon (=hij kent geen stelregels) (Munsterbilzen - Minsters)
- het trèk al op (=de lucht klaart op) (Munsterbilzen - Minsters)
- Hot dich neet óp an d'r kaal van de luuj. (=trek je niets aan van wat de mensen ervan zeggen.) (Mechels (NL))
- hübste opten trêk geston (=je bent lichtelijk verkouden) (Munsterbilzen - Minsters)
- ich hëb paajn aon mën goesting (=ik heb er geen trek in) (Munsterbilzen - Minsters)
- Ich höb geine trèk (=Geen zin (hónger) hebben) (Gelaens (Geleens))
- ich kan mèr nie goed trèg op trèk koëme (=het duurt lang voordat ik weer terug op de been ben) (Munsterbilzen - Minsters)
- ich trèk mich de hoëre autte kop... (=ik denk vreselijk diep na) (Munsterbilzen - Minsters)
- ie trek zijn'n plan (=hij slaat er zich doorheen) (Waregems)
- ieder hèttet raech vër ongelèkkeg te zin! (=trek maar eens een lachend gezicht!) (Munsterbilzen - Minsters)
- Ien de trek zitte (=In de tocht zitten) (venrays)
- iets ofdieëln van... (=een erfelijke trek bezitten van...) (Waregems)
- ij trek van de zieknkasse (=hij valt op de mutualiteit) (Kaprijks)
- ij trek van den dop (=hij krijgt werkloosheidsvergoeding) (Kaprijks)
- Ik hab effe hönger (=Ik heb trek) (Hoofddorps)
- Ik trek er men anne naf (=Ik trek er mijn handen van af) (Mechels (BE))
- Ik trek maa dau gieën knaat (kneit ) vanaun (=Ik trek mij daar niets van aan) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- ik trek me nerreges wa van aon (=het kan me niet schelen) (Roosendaals)
- ik zit in de trek (=ik zit in de tocht) (Diems)
- jeet er ne trek van weg, tis em gescheetn en gespoogn (=hij gelijkt op iemand) (Kortemarks)
- kèn (groaten) 'onger (=ik heb (veel) trek) (Hulsters (NL))
- kus mijn kluéten (=trek uw plan) (Hams)
- Laot ze de pes (t) krijge (=trek je niets van ze aan) (Utrechts)
- loat 'em moar ien zien eig'n sop goarkook'n (=trek je maar niets aan van hem) (Westerkwartiers)
- loat du boern moar dessn (=dorsen) (=trek het je niet aan) (Waarschoots)
- luste / motte gij un potje bier jong? (=heb je trek in een biertje? (sic) ) (Oudenbosch)
- Miene reem stieët op 't vrieëtgaetje (=trek hebben en eens goed gaan eten) (Weerts)
- moej dich mèt zën eege (=trek het je niet aan) (Munsterbilzen - Minsters)
- moej trek up je lucht en (=iemand willen slaan, kwaad zijn) (Brugs)
- ne vroolaajrok trèk mei as ë piëd (=de invloed van een vrouw is heel groot) (Munsterbilzen - Minsters)
- Nee dank je, ik ben pas ziek geweest / Nee ik heb thuis goed gegeten (=Nee dank je. (als iemand je iets (te eten) aanbiedt en je hebt geen trek) (Utrechts)
- Nee, jèh trek volle zale (=Jij bent niet veel beter) (Arnhems)
- neije gij trek volle zaole! (=nee, wat jij zegt daar is iedereen het mee eens!!!) (`t-Heikes)
- Och jong, trek ut dich nit zoe aa! (=Ach joh, trek het je niet zo aan!) (Eys)
- op dun trek stoan (=op de tocht staan) (Brakels (gld))
- op ten trèk stoeën (=in de tocht staan) (Munsterbilzen - Minsters)
- pas mér op dat zën maul zau nie blijve stoën (=trek zo geen zuur gezicht) (Munsterbilzen - Minsters)
- Schart 't an (=Vertrek maar trek je plan) (Roeselaars)
- schitj aggau een frak oeën (=trek rap een frak aan) (Meers)
- snokt er mor ies goed oan (=trek er maar eens goed aan) (Sint-Niklaas)
- stekt da nie in öf bolleke! (=trek u dat niet aan!) (Geels)
- t trèk haaj! (=je gulp staat open!) (Munsterbilzen - Minsters)
- Tingelingeluuërke ich trek um aan zien uuërke
Waat reudje: Hin, haan of vos?
Haan.. `Dan trek ich dur nog us aan`
Vos...`Dan laot ich um (nog neet) los`
Hin.. `Dan pak ich dur nog un bitje deeper in` (=aftelliedje) (Weerts)
- tkan mich nie boemme (=ik trek het me niet aan) (Bilzers)
- trek e niet zo eb ie niet (=Uit alle macht trekken) (Giethoorns)
- trèk es ojn mene vinger! (=ik geloof je niet!) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen