7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `pijn`
- een boer met kiespijn lacht niet (=mensen met pijn kunnen moeilijker ontspannen)
- geen centje pijn. (=een kleine moeite.)
- iemand op de pijnbank leggen (=iemand het moeilijk maken en daarmee dwingen iets te doen)
- kunnen missen als kiespijn (=veel liever niet hebben)
- lachen als een boer met kiespijn (=lachen zonder echt blij te zijn)
- pijn in de portemonee hebben (=het geld is op)
- wie mooi wil zijn, moet pijn lijden (=voor schoonheid moet je wat over hebben)
11 betekenissen bevatten `pijn`
- eer is teer (=beledigd worden doet pijn)
- zwijgen en denken zal niemand krenken. (=denk na voor je iets zegt wat pijn kan doen)
- buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
- een keel als schuurpapier hebben (=een erg droge keel (keelpijn) hebben)
- tegen het zere been schoppen (=een pijnlijke opmerking maken over iets wat gevoelig ligt)
- je geradbraakt voelen (=erg moe zijn en diverse pijnen hebben)
- door de ziel gaan (=erg pijnlijk of verdrietig zijn)
- er de angel uittrekken (=ervoor zorgen dat iets minder gevaarlijk wordt door het meest gevaarlijke deel onschadelijk te maken; iets minder pijnlijk maken)
- de kronkel in de darm hebben (=hevige buikpijn (koliek) hebben)
- een boer met kiespijn lacht niet (=mensen met pijn kunnen moeilijker ontspannen)
- de tijd heelt alle wonden (=na lange tijd zal de pijn vanzelf over gaan)
50 dialectgezegden bevatten `pijn`
- 'k ziet 't al, de lâmp hânk scheef / Dat ken bruintjie niet meer trekku / me schort is bijna leeg / 't zwartu zoad is ook al op / 'k het niks meer te makkuh / ik het/hep/heb pijn aan me portemonnaie / portemetniks (=het geld is bijna op...) (Utrechts)
- 't doe zierre (=Het doet pijn) (Hansbeeks)
- 't piekt een bitsjen (=het doet een beetje pijn) (Sint-Niklaas)
- 't verschot (=pijn in de rug) (Wetters)
- 't vier in me buuk (=veel pijn in de buik) (Veurns)
- alle eilige in d n emel bij mekaor kwe-ke (=het uitschreeuwen van pijn) (Oudenbosch)
- Alles mit maote,zee de snieder en sleug zien vrouwe mit de ellestok (=Een ellestok is dun en geeft minder pijn maar straft wel) (Giethoorns)
- Amai da doe ziejer (=Oh. Dat doet pijn) (Herentals)
- As em nie crepeert van de paan dan crepeert em van den oenger (=Als hij geen last heeft van pijn dan heeft hij (last van) erge honger) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- As ie d`r ene zear wilt doon, mot ie 'n stoomp mes nemm'n (=Als je iemand pijn wilt doen, moet je een stomp mes nemen.) (Twents)
- as lëlek zin paajn doeg, dan wont haaj get aofgesnotterd (=lelijk zijn doet geen pijn) (Bilzers)
- baukpaajn hëbbe (=pijn in het hart hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- Da stekt (=Als het (figuurlijk) pijn doet) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- da toe neig zeer (=dat doet veel pijn) (Sint-Niklaas)
- dae leutj zich de boeënestaak oppe kop sjerp make (=hij laat met zich sollen, zelfs als het pijn doet) (Heitsers)
- dat haar veul voet'n ien 'e oarde (=dat ging met pijn en moeite) (Westerkwartiers)
- dat zie allemoal mer finte (=iemand veinst pijn) (Vlijtingens)
- de ondiëntëghèts moet ërgës autbraeke (=ergens pijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- de pokkel dut mie zeer (=ik voel overal pijn) (Westerkwartiers)
- de pokkel dut mij zeer (=heel mijn lichaam doet pijn) (Westerkwartiers)
- dè snee klopt lak 't gat van nen doeë vuigel (=ik voel een kloppende pijn in die wonde (die snede klopt gelijk het gat van een dode vogel) ) (Holsbeeks)
- Der is iet in mijne rug geschoten (=Plotse pijn in de rug) (Bevers)
- det duit paerdspien (=dat doet heel veel pijn) (Heitsers)
- doe get zjeer (=heb je veel pijn) (nieuwmoers)
- dun stjoep van minnen duim doe zeer (=de top van mijn duim doet pijn) (Sint-Niklaas)
- è je lèle (=heb je pijn) (Ostêns)
- een toeng (pen) ès sjerper dan e mes (=uitspraken kunnen meer pijn doen dan wapens) (Munsterbilzen - Minsters)
- êj-êj-êj uit een oenderow (=wanneer iemand 'auw' zegt van de pijn) (Kaprijks)
- Ek hep pijn in me harsus (=Ik heb hoofdpijn) (Dordts)
- Es lellik zièr zò doen dan zoddu dur veul schrièuwu (=Als lelijk pijn zou doen dan zouden er veel schreeuwen) (Brakels (gld))
- hae kroonkeltj zich vanne pién, wi-j d'n duuëvel in 'n wiêwatersvaat (=iemand die veel pijn lijdt) (Weerts)
- het doet ziêr (het doet `zeer`) (=het doet pijn) (Clings)
- Het dut mij zeer in de narm (=Ik heb pijn in mijn arm) (Hoogeveens)
- hoeëvaart mót pien lieje (=wie mooi wil zijn moet pijn lijden) (Heitsers)
- Hòvaad liejt pieng (=Wie mooi wil zijn moet pijn lijden) (nijswillers)
- höb se nog gein pijn aon die lip (=letterlijk: heb je nog geen pijn aan je lip - betekent: beter hou je je bek eens) (Mestreechs)
- ich hëb paajn tot èn mënën dikke tein (=ik heb overal pijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- Ich heb pien aan mien kneuk (=Ik heb pijn aan mijn botten) (Heldens)
- ich hem paain an menn knaai-je van t vu-loraaije (=ik heb pijn aan mijn knieen van te fietsen) (Lummens)
- ich höb de krieëmer inne rök (=ik heb pijn in mijn rug) (Heitsers)
- ich kant nemie kiere van de pijn (=ik kan het niet meer uithouden van de pijn) (Heusdens)
- ich vieël de paajn tot én mënën kleenën tein (=ik heb overal pijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- ich zien ze vliege (=ik heb veel pijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- iemes tiëge zenen inkpot stampe totterv vanzelf begint te sjrijve (=iemand tegen zijn gat stampen tot hij van pijn over de grond kruipt) (Munsterbilzen - Minsters)
- ier kunde me doûdnijpen (=hier heb ik erg veel pijn) (Sint-Niklaas)
- Ik hem mijne peere gezien (=Ik heb pijn gehad) (Herentals)
- je liep dubbeltoe vant zièèr (=hij had veel pijn) (Kortemarks)
- je zie ze pêire (=hij lijdt veel pijn) (Lichtervelds)
- je zie ze peîre (=hij heeft veel pijn) (Kortemarks)
- joekte is erger as piene (=pijn) (Zeeuws)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen