afleggen

werkw.
Uitspraak:  ɑflɛxə(n)]
Vervoegingen:  legde af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft afgelegd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) (een weg) gaan
Voorbeeld:  `We hebben de wandelroute in een half uur afgelegd.`

2) (iets) doen
Voorbeelden:  `een verklaring afleggen`,
`een eed afleggen`,
`een examen afleggen`

3) (een dode) wassen en aankleden
Voorbeeld:  `De overledene wordt door de familie of de begrafenisondernemer afgelegd.`

4)
het moeten afleggen tegen (iets of iemand)  (verliezen van (iets of iemand)) `Hij moest het afleggen tegen de dodelijke ziekte.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanhouden afdoen aflopen afzetten bezwijken doen doorgaan het onderspit delven meters maken omkomen opgeven opzijleggen overdrijven overgaan prijsgeven tenondergaan uitdoen uitkrijgen uitstellen uittrekken verdagen vergaan verlopen verschuiven verstrijken

Spreekwoorden en zegswijzen
• de oude mens afleggen (=een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
Naar de spreekwoorden

15 definities op Encyclo
  1. Spreekwoorden: (1914) Het afleggen. Een verzachtende uitdrukking voor sterven, eig. het leven afleggen (lat. ponere vitam; eng. to lay down one's life), veelal met het bi...
  2. Een wijze van vegetatieve vermeerdering, waarbij een tak zo in de grond gebogen wordt, dat zijn top weer boven de grond uitkomt. Kan o.a. bij hazelaar (Corylus avellana),...
  3. 1. terugbetalen; 2. onttakelen (van schepen).
  4. (Bargoens, 1914) afloeren
  5. Uit `De lagere vaktalen: Taal van kuipers, klompenmakers en kurkensnijders` 1914 ziet maat.
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
afleggen

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `afleggen` kennen.