uitstellen

werkw.
Uitspraak:  ['œytstɛlə(n)]
Vervoegingen:  stelde uit (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft uitgesteld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

verschuiven naar een later tijdstip
Voorbeelden:  `wegens ziekte je vakantie uitstellen`,
`een betaling uitstellen omdat je even krap bij kas zit`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanhouden afdoen afleggen afzetten opschorten opschuiven rekken uitdoen uitkrijgen uittrekken verdagen verlengen verschuiven vertragen voor zich uitschuiven

Intensiveringen
Hoe kun je uitstellen krachtiger uitdrukken?
uitstellen tot sint-juttemis;

3 definities op Encyclo
  1. • [ov] naar een later tijdstip verschuiven. • tweede betekenisomschrijving • enz.
  2. 1) Aanhouden 2) Afdoen 3) Afgelasten 4) Afleggen 5) Afzetten 6) Ajourneren 7) In tijd verschuiven 8) Op de lange baan schuiven 9) Opschorsen 10) Opschorten 11) Opschuiven...
  3. Een wedstrijd is uitgesteld wanneer niet op de aangekondigde tijd wordt gestart; hij kan op ieder moment dat het wedstrijdcomité dat wenst, worden gezeild.
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `uitstellen` kennen.