afbreken

werkw.
Uitspraak:  ɑvbrekə(n)]
Vervoegingen:  brak af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft afgebroken (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) zorgen dat iets er niet meer is
Voorbeeld:  `een muur afbreken`
Synoniemen:  neerhalen, slopen

2) voortijdig beëindigen
Voorbeeld:  `onderhandelingen afbreken`

3) door breken scheiden of gescheiden worden
Voorbeelden:  `een stukje chocola afbreken`,
`De luifel brak plotseling af van de muur.`
een woord afbreken  (een lang woord aan het einde van de regel splitsen)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afkammen afknappen afkraken beëindigen breken doen ophouden forceren in puin slaan neerhalen omverhalen onderbreken ontbinden ontleden opheffen ruineren slopen stukmaken uit elkaar halen verbreken verbrijzelen vernielen vernietigen verwoesten opbouwen (antoniem)

12 definities op Encyclo
  1. • [ov] met de grond gelijk maken.
  2. amoveren; slechten; slopen Ruimere term: vernietigen Categorie: Procédés en Technieken > vernietigen.
  3. Uit `De lagere vaktalen: Taal der Loodgieters, zinkbewerkers en gasfitters` 1914 een staaf afbreken, inkorten.
  4. Uit `De lagere vaktalen: Taal van post-, telegraaf- en telefoonpersoneel` 1914 een gesprek afbreken.
  5. het niet overeind laten staan, uit elkaar halen vb: dit gebouw wordt binnenkort afgebroken afbrekende kritiek [negatieve kritiek, waar je niets aan hebt]
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `afbreken` kennen.