Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zeggen`

  1. boe noch bah zeggen (=niets zeggen)
  2. daar kun je donder op zeggen (=daar mag je zeker van zijn)
  3. de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  4. geen ja en geen neen zeggen (=nog twijfelen aan het antwoord)
  5. geen kip meer kunnen zeggen (=zoveel hebben gegeten dat je niets meer kan eten. Volkomen verzadigd)
  6. geen pap meer kunnen zeggen (=verzadigd zijn)
  7. iemand de wacht aanzeggen (=een laatste waarschuwing geven)
  8. iemand ongesuikerd zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid zeggen)
  9. iemand ongezouten de waarheid zeggen (=onverbloemd de waarheid zeggen, eerlijk zeggen waar het op staat)
  10. iets niet tegen/aan dovemans oren zeggen (=iets wordt erg goed onthouden)
  11. iets tussen neus en lippen zeggen (=zonder dat je het merkt in het geheel iets zeggen)
  12. iets zeggen om de kool (=iets zeggen voor de grap)
  13. ja en amen zeggen (=kritiekloos instemmen)
  14. ongesuikerd zeggen waar het op staat (=onverbloemd de waarheid zeggen)
  15. wie a zegt moet ook b zeggen (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken)
  16. zeggen wat je doet en doen wat je zegt (=proactief communiceren en je houden aan toezeggingen)

78 betekenissen bevatten `zeggen`

  1. voor de ganzen preken (=aan dovemans oren zeggen)
  2. wie zwijgt, stemt toe (=als je het ergens niet mee eens bent, moet je het zeggen)
  3. uitstel is geen afstel (=als je iets uitstelt wil dat nog niet zeggen dat je het nooit meer gaat doen)
  4. dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
  5. id est (=dat wil zeggen)
  6. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  7. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  8. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)
  9. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  10. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  11. de oren wassen (=duchtig ervan langs geven, de waarheid zeggen)
  12. het beestje bij zijn naam noemen (=duidelijk en precies zeggen hoe je over iets of iemand denkt; precies zeggen hoe iets zit)
  13. iemand de les lezen (=duidelijk zeggen dat iemand iets verkeerds gedaan heeft)
  14. onder de neus wrijven (=duidelijk zeggen wat er van gevonden wordt)
  15. belofte is een hemd der dwazen (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig maken)
  16. er zijn mond niet aan vuil maken (=er niets over willen zeggen)
  17. er het zwijgen toe doen (=er niets over zeggen)
  18. over het paard tillen (=er te veel goeds van zeggen / verwend en geprezen zijn)
  19. een vinger in de pap hebben (=ergens iets in te zeggen hebben, invloed hebben)
  20. zwijgen als het graf (=helemaal niets zeggen en/of totaal niets over iets vertellen)
  21. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)
  22. makkelijker gezegd dan gedaan (=het is eenvoudiger om iets te zeggen dan om het ook daadwerkelijk uit te voeren)
  23. het op de lippen hebben (=het net willen zeggen)
  24. de lakens uitdelen (=het voor het zeggen hebben, de baas spelen)
  25. een brutaal mens heeft de halve wereld (=iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar)
  26. iemand zijn vet geven (=iemand flink de waarheid zeggen)
  27. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  28. iemand ongesuikerd zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid zeggen)
  29. iemand de mond snoeren (=iemand verbieden iets te zeggen / tot zwijgen brengen)
  30. iemand het gat van de deur wijzen (=iemand zeggen dat die het pand moet verlaten of iemand wegsturen)
  31. iemand de oren wassen (=iemand zeggen wat die fout gedaan heeft)
  32. met geen pen te beschrijven zijn (=iets niet met woorden kunnen zeggen)
  33. uit de school klappen (=iets vertellen wat men niet mag zeggen)
  34. de pil vergulden (=iets vervelends op zo vriendelijk mogelijke manier zeggen)
  35. iets zeggen om de kool (=iets zeggen voor de grap)
  36. laten we elkaar geen mietje noemen (=laten we precies zeggen hoe we denken over de ander)
  37. zijn mond voorbij praten (=meer zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)
  38. op het hart binden (=met de grootste nadruk zeggen)
  39. op het hart drukken (=met de grootste nadruk zeggen)
  40. naar zijn woorden zoeken (=niet goed meer weten wat te zeggen)
  41. geen twee missen voor hetzelfde geld doen (=niet tweemaal hetzelfde zeggen of doen)
  42. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  43. niets in de melk te brokken hebben (=niets te zeggen hebben)
  44. stommetje spelen (=niets willen zeggen)
  45. boe noch bah zeggen (=niets zeggen)
  46. geen mond open doen (=niets zeggen)
  47. ongesuikerd zeggen waar het op staat (=onverbloemd de waarheid zeggen)
  48. iemand ongezouten de waarheid zeggen (=onverbloemd de waarheid zeggen, eerlijk zeggen waar het op staat)
  49. van zijn stuk raken (=onzeker worden en niet meer weten wat te zeggen)
  50. het hart op de lippen hebben (=over zijn emoties durven praten - alles zeggen wat men denkt)

Het dialectenwoordenboek kent 119 spreekwoorden met `zeggen`

  1. Munsterbilzen - Minsters: iemes de leviete laeze (=iemand de waarheid zeggen)
  2. Brussels: Ne flessentrekker (=Iets onwaar overtuigend zeggen)
  3. Kortrijks: me d'ol eure parlesan (=met al haar zeggen...)
  4. Vechtdals: de bek dichte holln (=niks zeggen)
  5. Mays: wakwouzegge (=wat ik wilde zeggen)
  6. Leids: De mare is gedempt (=tegen iemand zeggen dat hij niet moet twijfelen (veel maar zeggen))
  7. Liedekerks: Oe dikkes moenek et nog zeggen e? (=Hoe vaak moet ik het nog zeggen?)
  8. Twents: Van heurn zeggen komt völle löggens (=van horen zeggen komen vele leugens)
  9. Hulsters (NL): tis te zegghen (=dat wil zeggen)
  10. Munsterbilzen - Minsters: zen zaolighètse gaeve (=de waarheid zeggen)
  11. Oudenbosch: eddoe tong ingeslikt ? (=durf je niets te zeggen ?)
  12. Bilzers: iemed aut zenen dreem haole (=iemand de waarheid zeggen)
  13. Prinsenbeek: Zak mar zegge (=zal ik maar zeggen)
  14. Merenaars: a est go zeggen (=hij is gestorven)
  15. Merenaars: a ee dor niks te koetten (=hij heeft daar niets te zeggen)
  16. Eekloos: kzoetem nie zenn (=ik zou het hem niet zeggen)
  17. Bilzers: ich ben on haan en viet gebonne (=ik mag niets zeggen of doen)
  18. Westerkwartiers: één op 't vestje spei'n (=iemand de waarheid zeggen)
  19. Hulsters (NL): d'r ene zain zalig'eid gheven (=iemand flink de waarheid zeggen)
  20. Munsterbilzen - Minsters: de tein geboje spëlle (=iemand zeggen waar het op staat)
  21. Bosch: Proat mar gewòn (=Kunt u dat ook anders zeggen)
  22. Kortrijks: voargaon zonder boe of ba (=vertrekken zonder iets te zeggen)
  23. Gils: al da gezever (=wat ze toch allemaal niet zeggen)
  24. Mestreechs: veer kieke dé noa haha (=wat zeggen jullie tegen een TV ?)
  25. Oudenbosch: gaotur nou nie om-eene draaie (=zeg wat je wilt zeggen)
  26. Munsterbilzen - Minsters: zen gal autspaaje (=zeggen wat op de lever ligt)
  27. Nuths: Kal neet tieegen ein ouves moel . (=Bij zo een harde schreeuwer kun je beter niks zeggen.Laat een schreuwer maar doen.)
  28. Westerkwartiers: spreek'n is zilver, zwieg'n is gold (=alles zeggen is niet altijd goed)
  29. Bilzers: Dat zooste ni zègge (=Dat zou je niet zeggen)
  30. Bilzers: niks èn de pap te brokke hübbe (=niets te zeggen hebben)
  31. Munsterbilzen - Minsters: hel op zen toeng moete bijte (=inslikken wat je wil zeggen)
  32. Munsterbilzen - Minsters: iemes aut zene dreem helpe (=iemand de waarheid zeggen)
  33. kortemarks: jis ze puuste gescheurd (=hij is vertrokken zonder iets te zeggen)
  34. Nijlens: a leit onder den sloef (=thuis niets te zeggen hebben)
  35. Giethoorns: As ik liege dan lieg ik in commissie (=Van meerderen horen zeggen)
  36. Sint-Niklaas: ge pakt mé de worden uit minne mongd (=als iemand eerst zegt wat jij wou zeggen...:)
  37. Epers: In Attem eb ze een untien in een ukkien met wat eui d'rin (=In Hattem kunnen ze de H niet zeggen)
  38. Sint-Niklaas: zoe klink êt zoe bots êt (=op een onbeleefde, onbeschofte manier iets zeggen)
  39. tervurens: ummekes (=op een sympathieke manier 'hij' zeggen terwijl de persoon erbij staat)
  40. Roosendaals: Zal 'k oew 's wa zèège (=Zal ik je eens wat zeggen.)
  41. Veurns: gin pap meeë kunnen zeggen (=Doodvermoeid zijn)
  42. Oudenbosch: nou motte man en peerd noeme (=dan moet je zeggen wie dat gedaan heeft)
  43. Lichtervelds: tgoat doa gièènn oane noa kroajn (=er zal niemand wat van zeggen)
  44. Giethoorns: De pochel vol schelden (=Flink de waarheid zeggen en niet op een vriendelijke manier)
  45. Zelzaats: Ij eet ier niets te bassen (=Hij heeft hier niets te zeggen)
  46. Westerkwartiers: hij het niks ien 'e melk te brokkel'n (=hij heeft niets te zeggen)
  47. Munsterbilzen - Minsters: er hè tinnes niks ènde pap te brokke(le) (=hij heeft niets te zeggen)
  48. Munsterbilzen - Minsters: geen hoeër op mene kop daaj doë aon dink (=hoe durf je dat te zeggen !)
  49. Sint-joasters: de pin oppe naas zitte (=iemand zeggen waar het op staat)
  50. Twents: Ie proat asof 't ne koo oet gat kump vall'n (=Iets heel lomp zeggen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen