Spreekwoorden met `zeggen`

Zoek

17 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zeggen`

  1. boe noch bah zeggen (=niets zeggen)
  2. daar kun je donder op zeggen (=daar mag je zeker van zijn)
  3. de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  4. geen ja en geen neen zeggen (=nog twijfelen aan het antwoord)
  5. geen kip meer kunnen zeggen (=zoveel hebben gegeten dat je niets meer kan eten. Volkomen verzadigd)
  6. geen pap meer kunnen zeggen (=verzadigd zijn)
  7. horen zeggen is half gelogen. (=wat je via via hoort is niet altijd waar)
  8. iemand de wacht aanzeggen (=een laatste waarschuwing geven)
  9. iemand ongesuikerd zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid zeggen)
  10. iemand ongezouten de waarheid zeggen (=onverbloemd de waarheid zeggen, eerlijk zeggen waar het op staat)
  11. iets niet tegen/aan dovemans oren zeggen (=iets wordt erg goed onthouden)
  12. iets tussen neus en lippen zeggen (=zonder dat je het merkt in het geheel iets zeggen)
  13. iets zeggen om de kool (=iets zeggen voor de grap)
  14. ja en amen zeggen (=kritiekloos instemmen)
  15. ongesuikerd zeggen waar het op staat (=onverbloemd de waarheid zeggen)
  16. wie a zegt moet ook b zeggen (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken)
  17. zeggen wat je doet en doen wat je zegt (=proactief communiceren en je houden aan toezeggingen)

81 betekenissen bevatten `zeggen`

  1. voor de ganzen preken (=aan dovemans oren zeggen)
  2. je kan niet alle meisjes haten om één (=als je bent getrouwd wilt dat niet zeggen dat vrouwen je niet meer interesseren)
  3. wie zwijgt, stemt toe (=als je het ergens niet mee eens bent, moet je het zeggen)
  4. uitstel is geen afstel (=als je iets uitstelt wil dat nog niet zeggen dat je het nooit meer gaat doen)
  5. dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
  6. id est (=dat wil zeggen)
  7. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  8. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  9. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)
  10. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  11. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  12. de oren wassen (=duchtig ervan langs geven, de waarheid zeggen)
  13. het beestje bij zijn naam noemen (=duidelijk en precies zeggen hoe je over iets of iemand denkt; precies zeggen hoe iets zit)
  14. iemand de les lezen (=duidelijk zeggen dat iemand iets verkeerds gedaan heeft)
  15. onder de neus wrijven (=duidelijk zeggen wat er van gevonden wordt)
  16. belofte is een hemd der dwazen (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig maken)
  17. er zijn mond niet aan vuil maken (=er niets over willen zeggen)
  18. er het zwijgen toe doen (=er niets over zeggen)
  19. over het paard tillen (=er te veel goeds van zeggen / verwend en geprezen zijn)
  20. een vinger in de pap hebben (=ergens iets in te zeggen hebben, invloed hebben)
  21. zwijgen als het graf (=helemaal niets zeggen en/of totaal niets over iets vertellen)
  22. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)
  23. makkelijker gezegd dan gedaan (=het is eenvoudiger om iets te zeggen dan om het ook daadwerkelijk uit te voeren)
  24. het op de lippen hebben (=het net willen zeggen)
  25. de lakens uitdelen (=het voor het zeggen hebben, de baas spelen)
  26. een brutaal mens heeft de halve wereld (=iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar)
  27. iemand zijn vet geven (=iemand flink de waarheid zeggen)
  28. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  29. iemand ongesuikerd zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid zeggen)
  30. iemand de mond snoeren (=iemand verbieden iets te zeggen / tot zwijgen brengen)
  31. iemand het gat van de deur wijzen (=iemand zeggen dat die het pand moet verlaten of iemand wegsturen)
  32. iemand de oren wassen (=iemand zeggen wat die fout gedaan heeft)
  33. met geen pen te beschrijven zijn (=iets niet met woorden kunnen zeggen)
  34. uit de school klappen (=iets vertellen wat men niet mag zeggen)
  35. de pil vergulden (=iets vervelends op zo vriendelijk mogelijke manier zeggen)
  36. iets zeggen om de kool (=iets zeggen voor de grap)
  37. laten we elkaar geen mietje noemen (=laten we precies zeggen hoe we denken over de ander)
  38. je mond voorbij praten (=meer zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)
  39. op het hart binden (=met de grootste nadruk zeggen)
  40. op het hart drukken (=met de grootste nadruk zeggen)
  41. naar zijn woorden zoeken (=niet goed meer weten wat te zeggen)
  42. geen twee missen voor hetzelfde geld doen (=niet tweemaal hetzelfde zeggen of doen)
  43. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  44. een ei op hebben (=niets durven te zeggen)
  45. niets in de melk te brokken hebben (=niets te zeggen hebben)
  46. stommetje spelen (=niets willen zeggen)
  47. geen mond open doen (=niets zeggen)
  48. boe noch bah zeggen (=niets zeggen)
  49. ongesuikerd zeggen waar het op staat (=onverbloemd de waarheid zeggen)
  50. iemand ongezouten de waarheid zeggen (=onverbloemd de waarheid zeggen, eerlijk zeggen waar het op staat)

50 dialectgezegden bevatten `zeggen`

  1. `As` is verbrande turref. (=Gedane zaken nemen geen keer; `als` zeggen is zinloos.) (Zaans)
  2. `ich zal toeris goeën zègge dat Zjef heië nie thinnis ès, dan kan d'ne jóng dieëzen achtere no tous koeëme` (=`Ik zal bij u thuis gaan zeggen dat Jef vandaag niet bij hem thuis is, dan kan uw kind namiddag naar thuis komen.`) (Genker)
  3. 'k willen zeggen (=ik bedoel) (Veurns)
  4. 'n kat 'n kat nuum'm (=precies zeggen hoe de vork in de steel zit) (Westerkwartiers)
  5. 't es te zegn (=dit wil zeggen (dwz.) ) (Waregems)
  6. 't is kwart veur struus, as 't haard lopst bist gauw tuus (=ik kan je niet zeggen hoe laat het is) (Westerkwartiers)
  7. 't is nie ol evangelie dat de paster prikt (=je moet niet alles geloven dat ze zeggen) (Veurns)
  8. 't kiend bij de noam nuum'n (=zeggen waar het op staat) (Westerkwartiers)
  9. a ee doer niks te koetten (=hij heeft daar niets te zeggen) (Meers)
  10. a est go zeggen (=hij is gestorven) (Meers)
  11. a leit onder den sloef (=thuis niets te zeggen hebben) (Nijlens)
  12. A-j over de hond koemen, koem ie ook over de start (=Wie A zegt, moet ook B zeggen) (Giethoorns)
  13. A-j over de hond koemen,koem ie ook over de start (=Wie A zegt moet ook B zeggen) (Giethoorns)
  14. Aa lei onder de sloef (=Hij heeft thuis niets te zeggen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  15. ae ee zèen pèep oan merten gegeven, zèene körf gezet, zèene klopper gezet, zèen kèes uitgebloaz'n; ae es't goan zeggen (=hij is dood) (Wichels)
  16. ajei zaain toeng ingeslikt (=Hij kan niets (te verlegen) zeggen) (Antwerps)
  17. al da gezever (=wat ze toch allemaal niet zeggen) (Gils)
  18. as ich mëne mond rier, zitste al op mich (=ik heb hier helemaal niets te zeggen !) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. as ik lieg, dan lieg ik ien commizzie (=ik heb het van horen zeggen) (Westerkwartiers)
  20. As ik liege dan lieg ik in commissie (=Van meerderen horen zeggen) (Giethoorns)
  21. As ik liege, dan lieg ik in commissie (=Van anderen horen zeggen) (Giethoorns)
  22. As se oetgekald bös mos se zjwiege (=Als je niets meer te zeggen hebt moet je je mond houden) (Roermonds)
  23. as tat alles ès wôste te zèggen hëbs, hach ëm dan mér heil tau (=zwijg maar als je niet beters te zeggen hebt) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. braekmechte maul nie oëpe (=als ik alles moet zeggen ...) (Bilzers)
  25. Brèèk mie de bek niet lös (=Laat mij niet zeggen wat ik denk) (Zwols)
  26. Bûter, brea en griene tsiis, wa't dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries (=Boter (rogge)brood en groene kaas, wie dat niet zeggen kan is geen echte Fries) (Fries)
  27. Bûter, brea en griene tsiis, wa't dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries. (=boter, roggebrood en groene kaas, wie dat niet zeggen kan is geen oprechte Fries) (Fries)
  28. d'r ene zain zalig'eid gheven (=iemand flink de waarheid zeggen) (Hulsters (NL))
  29. D'r mot n'n kapp'n sprekker kom'n, wil e nen zwieger verbetter'n (=soms kun je beter niets zeggen) (Twents)
  30. da's tiëkn da ... (=dat wil zeggen dat ...) (Kaprijks)
  31. daaj hèt hërre meester gevonne (=zij heeft thuis niets te zeggen) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. daar segge wy niks tegen... (=wat zeggen jullie tegen een lantaarnpaal?) (Leewarders)
  33. dae haet hie niks te profesieje (=hij heeft hier niks te zeggen) (Heitsers)
  34. dae hèt wol viël bloeëre op zën toeng (=hij is niet veel van zeggen) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. dae is zekvreej (=die durft veel te zeggen) (Weerts)
  36. dae kaltj zoeë fien wie póppestróntj (=overdreven voorzichtig praten om (vooral) niets verkeerds te zeggen) (Heitsers)
  37. dat is gien beraons weerd (=Het is niet iets om hierover wat te zeggen) (Giethoorns)
  38. Dat zek ie vertelle (=Dat zal ik je zeggen) (Rijsoords)
  39. Dat zooste ni zègge (=Dat zou je niet zeggen) (Bilzers)
  40. Dauris gieë zeggen aun (=Hij luistert niet / niet in toom te houden) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  41. de bek dichte holln (=niks zeggen) (Vechtdals)
  42. de haoën kan zoe hel kraeë as ter wilt, ët zin toch de hinne daaj de eer lègge (=de man mag zeggen wat hij wil, maar de vrouw beslist) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. de hëbs haaj niks te koette (=hier heb je niets te zeggen (bevelen)) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. de heirs ët graos èn Zjeruselem wasse (=je gelooft ook alles wat ze zeggen) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. De mare is gedempt (=tegen iemand zeggen dat hij niet moet twijfelen (veel maar zeggen) ) (Leids)
  46. de pin oppe naas zitte (=iemand zeggen waar het op staat) (Sint-joasters)
  47. De pochel vol schelden (=Flink de waarheid zeggen) (Giethoorns)
  48. De pochel vol schelden (=Flink de waarheid zeggen en niet op een vriendelijke manier) (Giethoorns)
  49. de spieker op 'e kop sloag'n (=zeggen waar het op staat) (Westerkwartiers)
  50. de tein geboje spëlle (=iemand zeggen waar het op staat) (Munsterbilzen - Minsters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen