Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `fiets`

  1. de fiets aan de haak hangen (=stoppen met wielrennen)
  2. een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets (=feministische uitspraak)
  3. fietsen zijn (=weg zijn, ervandoor zijn)
  4. geef mijn fiets terug (=grapje om Duitsers te wijzen op de Tweede Wereldoorlog, toen er veel fietsen geconfisqueerd werden)
  5. iets boven de tafel fietsen (=open kaart spelen met bedoelingen)
  6. op díe fiets (=op die manier)
  7. op een oude fiets moet je het leren (=lesmateriaal is zelden nieuw)
  8. wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? (=wat gebeurt er nu voor iets raars?)

Eén betekenis bevat `fiets`

  1. geef mijn fiets terug (=grapje om Duitsers te wijzen op de Tweede Wereldoorlog, toen er veel fietsen geconfisqueerd werden)

Het dialectenwoordenboek kent 61 spreekwoorden met `fiets`

  1. Helenaveens: Oewe fiets stùt slap (=Je fietsband is lek)
  2. Hendrik-Ido-Ambachts: zadelsnuffelen (=in het fietsenhok vrijen)
  3. Bilzers: dür te gon fietse hochter ferm opzenen ojem getréd (=na het fietsen was hij volledig buiten adem)
  4. Sint-Niklaas: per vielo rijn (=fietsen)
  5. Sint-Niklaas: ei verachtert (=hij kan de fietsers niet bijhouden (volgen))
  6. Fries: fytse is sûn (=fietsen is gezond)
  7. Boakels: ik ben wizze fietse (=ik heb gefietst)
  8. Liwwadders: Boxumerdam om, de Kantelannen om (=een rondje fietsen)
  9. Roermonds: Jong vang dich eine baer (=Ga toch fietsen)
  10. Laag-Keppels: Trap 'm maar an (=Laten we fietsen)
  11. Oudenbosch: dun eeste fietser laag un straot voor (=de ontsnapte renner had een grote voorsprong)
  12. Hasselts: te goei villo jage (=goed fietsen)
  13. Waregems: sjette geven (=snel rijden, fietsen, lopen)
  14. Westlands: in de louwte rijen (=in de luwte fietsen)
  15. Oudenbosch: zonder aande rije (=met losse handen fietsen)
  16. Bonheidens: hèt trappe me de velo (=snel fietsen)
  17. Sinttruins: ve goan be de veuillo rein (=wij gaan fietsen)
  18. Zottegems: t' stoelken (=bagagedrager ( fiets ))
  19. Genneps: Hij mos flink knéje tegen de wiend ien (=tegen de wind in fietsen)
  20. Rotterdams: gaat fietsen stelen (=donder op)
  21. Gronings: pakjedroager (=bagagedrager (van de fiets))
  22. Deinzes: E tjuke va ne vélo (=Een oude fiets)
  23. Dordts: Bejje mat de fiets of bejje lòpes? (=Ben je met de fiets of lopend?)
  24. West-Vlaams: fring in de busse (=een fiets met terugtraprem)
  25. Eekloos: Wienste velo is da (=Van wie is die fiets)
  26. Denderleeuws: en noewet mè drowe nèvest ien rouèn (=en nooit met zijn drieën naast elkaar fietsen)
  27. Fries: net mei jim trijen neist elkoar fytse (=nooit met zijn drieën naast elkaar fietsen)
  28. Walshoutems: ene torpedo frain (=Achterrem van een fiets)
  29. west-vlaams: NE VELO ME NE TORPRDO (=fiets MET TERUGTRAPREM)
  30. Waregems: die bolt goed (=deze loopt soepel (fiets,kar,kruiwagen))
  31. Menens: zet jo ne vélo ip zijnen pekkel (=zet uw fiets recht)
  32. Lummens: ich hem paain an menn knaai-je van t vu-loraaije (=ik heb pijn aan mijn knieen van te fietsen)
  33. Kinrooi: De kóns baeter get allein gaon fitsen es aan thoes ruzing make! (=Je kan beter alleen gaan fietsen dan thuis ruzie maken!)
  34. Hals: uwe velo heeft ne platte tube (=uw fiets heeft een lekke band)
  35. Munsterbilzen - Minsters: wot hübbech nau on mene tram (=wat heb ik nu aan mijn fiets hangen)
  36. Oudenbosch: die gaodaart bij wiend mee (=wind mee voor iemand op de fiets met flaporen)
  37. Waregems: ze/ie zot ip de stoane (=zij/hij zat op het kinderzitje van de fiets)
  38. Munsterbilzen - Minsters: fiets met achteruittrap-rem (=vilo mèt vaste pinjao)
  39. Tilburgs: zèède gevalle nèè zôo stap ik aaltij van mènne fiets aaf ! (=Is U gevallen nee hoor zo stap ik altijd van mijn fiets af !)
  40. Tilburgs: zèède gevalle ? nèè zôo stap ik aaltij van mènne fiets aaf ! (=Is U gevallen ? nee hoor zo stap ik altijd van mijn fiets af !)
  41. Tilburgs: die fiets was beheurlek keduuk, de spêeke staake swirskaante öt de wiele. (=die fiets was nogal defect, de spaken staken aan twee kanten uit de wielen.)
  42. Antwerps: neie zoë stappekik altaaid af (=Antwoord op :Ben je gevallen met je fiets?)
  43. Aalsters: aagt a annen on a gedong (van a velo) (=Hou je handen op je (fiets)stuur)
  44. Evergems: mijen gidon van mijen velo stoat toage (=het stuur van fiets staat te hoog)
  45. Sittards: op eine auwe fits dao móste 't leere (=op een oude fiets moet je het leren)
  46. Helenaveens: Op de fiets nòr Deurne (=De Zuidooster-bus missen)
  47. Zeeuws: hoed uut kiekn da j nie fan je fiets of soenkelt (=uitkijken)
  48. Rotterdams: op die fiets (=op die manier)
  49. Amsterdams: nee, zo stap ik altijd van me fiets af. (=bent u gevallen?)
  50. Evergems: tes een speeke uit 't wiel van mij'n velo (=er is en spaak uit het wiel va mijn fiets)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen