Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

19 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vet`

  1. boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
  2. daar is geen oogje vet meer op (=dat is niet veel meer waard)
  3. die olie meet wordt er vet van (=in slecht gezelschap wordt men slecht)
  4. Een vette bek halen. (=Goed eten.)
  5. een vette keuken een mager testament (=wie veel uitgeeft tijdens het leven, laat weinig na)
  6. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  7. het oog van de meester maakt het paard vet (=het werk gebeurt beter als de baas toezicht houdt)
  8. Het oog van de meester maakt het paard vet. (=Je moet als baas zelf toezicht houden, want anders wordt je bedrijf verwaarloosd)
  9. iemand in zijn eigen vet gaar laten smoren (=iemand die iets misdaan heeft aan zijn lot overlaten)
  10. iemand zijn vet geven (=iemand flink de waarheid zeggen)
  11. iets in het vet hebben (=nog iets voor iemand tegoed hebben)
  12. in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
  13. niet vet kunnen soppen (=het niet breed hebben)
  14. op zijn vet teren (=leven van gespaard geld)
  15. te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken (=geen kind meer, maar nog te jong voor volwassen zaken)
  16. tussen servet en tafellaken zijn (=niet bij de kleintjes maar ook niet bij de groten horen)
  17. vette en magere jaren (hebben) (=jaren met meer welvaart en minder werkloosheid en jaren met minder welvaart en meer werkloosheid)
  18. vieze varkens worden niet vet (=wie overal vies van is, zal niet veel te eten krijgen)
  19. zachte winters, vette kerkhoven (=zachte winters geven vaak aanleiding tot meer ziekten dan strenge winters)

Het dialectenwoordenboek kent 50 spreekwoorden met `vet`

  1. Zaltbommels: vetdel (=slons)
  2. Westerkwartiers: 't was doar mor moagertjes (=het was daar geen vetpot)
  3. brabants: Un vêrreke anzette (=Een varken gaan vetmesten)
  4. Hulsters (NL): oew schoenen vastmaken (=je veters strikken)
  5. Liwwadders: hestou noch wat te vetellen? (=waag het niet ...!)
  6. Roermonds: Doe bus un nienke! (=Jij bent een dikke vette speknek!)
  7. Liemers: Meh de noorde zon stiekem vetrekke. (=s'Nachts gaan verhuizen (Schulden hebben))
  8. Munsterbilzen - Minsters: daaj vetsde ter nogalès vandör (=ze liepen er snel vandoor)
  9. Westerkwartiers: 't is doar gien vetpot (=die hebben het niet breed)
  10. Tilburgs: mun nissels zitten in de knêûp (=mijn veters zitten in de knoop)
  11. Westerkwartiers: 't is hier gien vetpot (=we kunnen niet royaal leven)
  12. Brabants: unne goeie haan is nie vet (=een goede haan is niet vet)
  13. Lovendegems: 't' es giene vette (=het was niet schitterend*)
  14. Westerkwartiers: dat is gien vetpot doar (=die hebben het niet breed)
  15. Munsterbilzen - Minsters: iemes ènvètte (=iemandgoed zijn vet geven)
  16. Lebbeeks: vet: Dau ben ek vet mee (=Daar heb ik niets aan)
  17. Sint-Niklaas: geregeld spek (=spek met vet doorregen)
  18. Munsterbilzen - Minsters: dat mok mich geen vets (=ik geef er helemaal niets om)
  19. Sint-Niklaas: e wezen gullèk een volle moan (=een groot vet, rond gezicht)
  20. Oudenbosch: die jebbe ze mooi bij z ne veter gat (=die is te grazen genomen)
  21. Zeeuws: t is zo vet as n slekke (=iets wat te dik is)
  22. Ouddorps: Een goeie haene is niej vet (=Mager is niet verkeerd)
  23. Houthulst: en de buk is vet (=Hij heeft goed verdiend)
  24. Overpelts: is den ôs vet ? (=veel geld uitgeven)
  25. Zeeuws: d as goed vet (=dat is niks waard)
  26. Boakels: hai vet un kuukske (=hij neemt een koekje)
  27. Veurns: etwieën ze vet geev'n (=iemand ervanlangs geev'n)
  28. Zeeuws: di bin k vet bie (=schiet niet op)
  29. Antwerps: ze zen hem kome hoale met het karreke van vets was een begrafenisondernemer op het Kiel, (=iemand die overleden was(op het kiel))
  30. Munsterbilzen - Minsters: tès ook nauts goed ! (=Ik ben 10 kilo afgevallen, maar daar ben ik vet mee)
  31. Westerkwartiers: boer'n en swien'n word'n knorr'ndeweg vet (=boeren en varkens knorren altijd)
  32. Sint-Niklaas: dor bennuk vet mee (=daar ben ik niets mee)
  33. Hulsters (NL): daor zaink vet meej (=daar heb ik niet veel aan)
  34. Sevenums: Fiêze verkes waeren nit vet (=Wie weinig lust zal slecht groeien)
  35. Heezers: ut vet in dun haondsnest zuuke (=op een verkeerde manier bezuinigen)
  36. Antwerps: doar zenk vet(=daar ben ik niets mee)
  37. Waregems: me kreeg'n doar oes vet (=we kregen daar een uitbrander)
  38. houthulst: De buk is vet (=Hij heeft financieël een goede slag geslegen)
  39. Westerkwartiers: die teert op zien vet (=die leeft van zijn spaargeld)
  40. Weerts: gae mótj gein spek in e vet vêrreke staeke (=iemand niet overdadig begunstigen)
  41. Oudenbosch: ijee un panneke vet opstaon (=hij voert iets in zijn schild)
  42. Westerkwartiers: vet wil boov'm driev'm (=rijkelui willen de baas spelen)
  43. Sint-Laureins: mee zijn duimen in't vet zitten (=er financieel goed voorstaan ,het getroffen hebben)
  44. Giethoorns: Proten as een metworst waor et vet is uut-eleupen (=Een humorlozeverteller-die oud nieuws verteld)
  45. Westerkwartiers: 't oog van de meester moakt 't peerd vet (=als de baas aanwezig is wordt er harder gewerkt)
  46. Evergems: ’t Es beedre ien luis in de panne dan gien vet! (=Beter iets klein dan helemaal niets.)
  47. Walshoutems: Se in heur/zen eige vet loate stoave. (=Geen aandacht meer geven aan iemands kwaadheid)
  48. Brugs: e ( met de e van vet) mu zien der van de kls (=afzwaaien uit het leger)
  49. Ostêns: zis zo vet daje neuze ku snuttn in de vellen van eur buuk (=ze is heel dik)
  50. Liemers: Bi-j ollie in huus is alles vet behalve de aetespot. (=Bij jullie is het huis niet schoon en het eten schraal.)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen