Spreekwoorden met `half`

Zoek

10 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `half`

  1. beter een half ei dan een lege dop (=beter iets dan helemaal niets)
  2. bijna is nog niet half en een koe is nog geen kalf (=iets bijna hebben is hetzelfde als iets helemaal niet hebben)
  3. een ei is geen ei twee ei is een half ei drie ei is een paasei (=één is niet genoeg, twee is beter, drie is goed)
  4. een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  5. fris gewaagd is half gewonnen (=de moedigste heeft de meeste kansen om iets te winnen)
  6. goed begonnen is half gewonnen (=wat niet aangevangen wordt komt ook nooit af. / Wanneer het begin van iets goed is, is de kans groter dat het goed eindigt)
  7. halfjes en motregen dringen door. (=ook van kleine beetjes wordt je dronken)
  8. horen zeggen is half gelogen. (=wat je via via hoort is niet altijd waar)
  9. met een half oor (=maar half luisterend)
  10. zijn hoed staat op halfzeven (=hij is dronken)

2 betekenissen bevatten `half`

  1. mezzo piano (=half zacht)
  2. met een half oor (=maar half luisterend)

50 dialectgezegden bevatten `half`

  1. 'alf stèert (=half afgewerkt) (Wichels)
  2. 'T es tussen oalf en heblik (=Het is half goed) (Harelbeeks)
  3. 't es twoolfnolf (=het is half één (12.30 u.) ) (Waregems)
  4. 't is iene van't drei ieren doenker (=Hij levert half werk) (Opwijks)
  5. anderhalf (=een en een half) (Sallands)
  6. as ut half kan... (=graag gedaan zien (evt.van ander) ) (Epers)
  7. Aus Lievrouw half Oest (=Ons Lieve Vrouw Hemelvaart) (Walshoutems)
  8. Bekant is nog niet half (=Bijna is niet helemaal) (Boskoops)
  9. daor bende zeker mar mee den raauwe borstel overene gegaon? (=dat lijkt maar half gedaan te zijn) (Oudenbosch)
  10. de bóks op half seve (=als je broek heel laag hangt) (Maasbrees)
  11. de breidsjes ligge vër de vinster (=haar borsten hangen half bloot) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. de pét (kieps) óp half èlf hebbe staon (=aangeschoten zijn) (Genneps)
  13. deltj (=half om half, elk de helft) (Aalsters)
  14. Der zen kloeëte aun veige (=Het werk maar half doen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  15. doë ès mèr rauw iëvergegon (=dat is maar half werk) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. e doe zé wérk alftegat (=half werk maken) (Londerzeels)
  17. ə strûppəkə (zeker <1930) (=een pint bier met veel schuim (uiteindelijk slechts 'n half glas bier...)) (Kalforts)
  18. get veur de koont kletse (=half werk van iets maken) (Mestreechs)
  19. goje mood is half taergeldj (=je leeft langer met een goed gemoed (taergeldj = leefgeld)) (Heitsers)
  20. half vaste gaon ze taste dan wete ze Paose staon, van Pînkstere um uut te gaon (=rijmpje) (Weerts)
  21. hangt tusschen stoeln en bankn (=half genezen) (Veurns)
  22. heal bezopen is wei smieten jild (=half bezopen is weggegooid geld) (Fries)
  23. hij schèt nie vur half elf (=hij is niet vrijgevig) (Tilburgs)
  24. iejene van half vier doenker (=een simpel geest / ene van half vier donker) (Geels)
  25. ien en 'n aref Twei en 'n aref (=twee en een half) (Westfries)
  26. Iet alfsegat doen (=Iets slecht of maar half afwerken) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  27. Met de klok van half acht naar huis (=Om half acht s, avonds luid altijd de kerk klok) (Lekkerkerks)
  28. mèt goed getijg ès het waerk al half gedoeën (=met goed gereedschap is het werk al half gedaan.) (Genker)
  29. mèt good getuug is ‘t werk half gedaon (=goed gereedschap is het halve werk) (Heitsers)
  30. ne goeie verstonjer ee mur 'n alf woord nuëdig (=een goed verstaander heeft maar een half woord nodig) (Meers)
  31. ne slag van de meulen gat ein (=half zot zijn) (Sint-Niklaas)
  32. nor iet spieren, nor iet lonken (=naar iets kijken met half dichtgeknepen ogen) (Sint-Niklaas)
  33. nor iets spieren (=met half gesloten ogen naar iets kijken) (Sint-Niklaas)
  34. Now gao'k d'r aan, zei de pier tegen de haan. En toen had'e 'm al half opgeaete. (=het is te laat daar nog iets aan te doen.) (Barghs)
  35. ouw boks hangt op half zeuven (=je broek hangt laag) (Overpelts)
  36. sloapen gullèk de muizen in 't meel (=waken, half en half slapen) (Sint-Niklaas)
  37. spieren (=met half toegeknepen ogen naar iets kijken) (Sint-Niklaas)
  38. stoet èklapt is oaf èwonn'n (=stout gesproken is half gewonnen) (Veurns)
  39. t 'alverdraen (=om half drie) (Wichels)
  40. t'alverieën'n, 'n 'alverieën'n (=om half een) (Wichels)
  41. t'alvertwieën (=om half twee) (Wichels)
  42. Tuss'n den donker'n en de kloar'n (=half en half) (Deinzes)
  43. twie meters n half woaibumenaat / nen langeloo (=lang persoon) (Gents)
  44. Twintig over drie (=Tien voor half vier) (Ewijk (Euiwwiks))
  45. Twintig vur vier (=Tien over half vier) (Ewijk (Euiwwiks))
  46. VAN NEN EZEL OVER half DEUR GESCHETEN (=IEMAND DIE ER SLECHT UIT ZIET) (Leefdaals)
  47. veul te goe is allef zot (=veel te goed is half zot) (Antwerps)
  48. vuvenolf (=half zes) (Veurns)
  49. Wee klook is, heurt één woord en begrip der twee (=Een goed verstaander heeft een half woord nodig) (Twents)
  50. wo kleen eegskës hubs tich toch mér (=wat heb je uitgespookt dat je ogen half dicht zijn) (Munsterbilzen - Minsters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen