Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


34 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tand`

  1. aan het verstand brengen (=duidelijk maken)
  2. boerenverstand (=zonder scholing toch slim zijn)
  3. de tanden laten zien (=zich heel erg fel verdedigen)
  4. de vaan van de opstand planten (=`n opstand verwekken)
  5. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord)
  6. er verstand van hebben als een kraai van een zaterdag (=er geen verstand van hebben)
  7. ergens zijn tanden inzetten (=vasthoudend zijn, niet snel opgeven)
  8. gezegende omstandigheden (=in verwachting)
  9. haar op de tanden hebben (=van zich af kunnen bijten)
  10. het verstand komt met de jaren (=naarmate je ouder wordt, word je wijzer en verstandiger)
  11. iemand aan de tand voelen (=op strenge manier ondervragen)
  12. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
  13. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  14. met het mes tussen de tanden (=wanneer alles op het spel staat)
  15. met het verstand van een garnaal (=erg weinig verstand, erg dom)
  16. met lange tanden eten (=met tegenzin eten)
  17. mijn verstand staat er bij stil (=dat begrijp ik helemaal niet)
  18. mutatis mutandis (=met de nodige wijzigingen) (Latijn)
  19. oog om oog en tand om tand (=wraak nemen voor onrecht dat je is aangedaan, door de dader precies hetzelfde aan te doen)
  20. op zijn tandvlees lopen (=in totale uitputting voortdoen, zijn laatste krachten gebruiken)
  21. Rap met de tanden, is rap met de handen. (=Wie snel kan eten, kan snel werken.)
  22. tand des tijds (=de sleet door de ouderdom)
  23. Tot de tanden bewapend (=Zwaar bewapend)
  24. tot de tanden gewapend (=tot het uiterste bewapend)
  25. van de hand in de tand leven (=zo gauw iets verdiend is het meteen weer uitgeven zonder zorgen over later)
  26. van iets zoveel verstand hebben als een koe van saffraan eten (=ergens geen verstand van hebben)
  27. Verstand hebben van gekookt eten. (=Ergens verstand van hebben.)
  28. voor de drang der omstandigheden zwichten (=zich naar de omstandigheden schikken)
  29. Vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=Een vrouw is altijd wel wat aan het doen)
  30. zich met hand en tand verzetten (=zich heftig verzetten en er alles aan doen om het niet te laten doorgaan)
  31. zich op een afstand houden (=zich niet te veel met de zaak bemoeien)
  32. zijn tanden laten zien (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn)
  33. zijn verstand gebruiken (=het verstandig aanpakken)
  34. zijn woord gestand doen (=doen wat iemand beloofd heeft)

111 betekenissen bevatten `tand`

  1. de vaan van de opstand planten (=`n opstand verwekken)
  2. op zich laten zitten (=aanvaarden zonder tegenstand)
  3. als het voeten heeft (=als de omstandigheden gunstig zijn)
  4. de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
  5. maak je borst maar nat (=bereid je voor op een zware klus (of op veel tegenstand))
  6. nood breekt wet (=bij moeilijke omstandigheden is er meer geoorloofd)
  7. Groot bal op kleine aardappelen (=Boven zijn stand leven)
  8. dat is een ver-van-mijn-bed-show (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
  9. achter de coulissen kijken (=de echte toestand zien (ontdekken))
  10. de wind waait uit een andere hoek (=de meningen/omstandigheden zijn veranderd)
  11. de kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
  12. de bordjes zijn verhangen (=de omstandigheden zijn veranderd)
  13. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  14. de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen)
  15. die is niet voor de poes (=die moet als tegenstander niet onderschat worden)
  16. niet door mensenhanden gebouwd (=door God of natuur tot stand gebracht)
  17. een dronken vrouw is een engel in bed (=drank draagt bij aan het beëindigen van de tegenstand)
  18. als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan (=drank verdringt gezond verstand)
  19. de gekken krijgen de kaart (=dwaze en onverstandige mensen krijgen hun gelijk of ze dat hebben of niet)
  20. onder het mes zitten (=een examen hebben, in angstige omstandigheden zitten)
  21. samen onder een deken liggen (=een gezamenlijk standpunt innemen)
  22. een veeg uit de pan krijgen (=een klap incasseren / op zijn donder krijgen / een standje krijgen)
  23. een zwaluw maakt de lente niet (=een omstandigheid laat nog geen eindconclusie toe)
  24. een wig drijven tussen (=een splitsing of misverstand bewerken)
  25. een wigge drijven tussen (=een splitsing of misverstand bewerken)
  26. iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en ongenoegen over iemand uiten)
  27. iemand op de vingers tikken (=een standje geven, berispen)
  28. een bokking krijgen (=een standje krijgen)
  29. het op je boterham krijgen (=een stevig standje incasseren)
  30. ten hemel schreiend (=een toestand die zo erg is dat er eigenlijk direct iets aan gedaan zou moeten worden)
  31. de gulden middenweg (houden/bewandelen/verkiezen) (=een tussenstandpunt of tussenoplossing verkiezen)
  32. er geen kaas van hebben gegeten (=er geen verstand van hebben)
  33. er verstand van hebben als een kraai van een zaterdag (=er geen verstand van hebben)
  34. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
  35. de wijsheid in pacht hebben (=erg verstandig zijn of althans doen alsof)
  36. met het verstand van een garnaal (=erg weinig verstand, erg dom)
  37. van iets zoveel verstand hebben als een koe van saffraan eten (=ergens geen verstand van hebben)
  38. ergens geen tittel of jota van afweten (=ergens geen verstand van hebben, ergens helemaal geen kennis van hebben)
  39. van Teeuwes nog Meeuwes weten (=ergens van helemaal geen verstand hebben)
  40. Verstand hebben van gekookt eten. (=Ergens verstand van hebben.)
  41. niet thuis zijn van (=geen verstand hebben van - niet willen weten van)
  42. ze alle vijf bij elkaar hebben (=goed bij zijn verstand zijn)
  43. geen voetbreed wijken (=hard op zijn standpunt blijven)
  44. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  45. zijn verstand gebruiken (=het verstandig aanpakken)
  46. er mankeert iets in zijn bovenkamer (=hij is niet goed bij zijn verstand)
  47. hij heeft een klap van de molen gekregen (=hij is niet goed meer bij zijn verstand)
  48. de broodkruimels steken hem (=hij kan de welstand niet dragen)
  49. met de linkerhand trouwen (=huwen met een vrouw van lagere adelstand)
  50. iemand een bokking geven (=iemand een standje geven)

Het dialectenwoordenboek kent 58 spreekwoorden met `tand`

  1. Sint-Niklaas: zèn tanden uitkoteren (=met een tandenstoker zijn tanden reinigen)
  2. Munsterbilzen - Minsters: hae loet zen taan és zien (=de tandarts was buiten schema en moest een tandje bijsteken)
  3. Sint-Niklaas: kè vliegende tandpijn (=ik heb hevige tandpijn)
  4. Zeeuws: Zun tandn lieken we un afgebrand durpje (=Zijn tanden zijn bruine stompjes)
  5. Liwwadders: tandsje bijsette (=tempo verhogen)
  6. Opglabbeeks: 't ein met tander (=mekaar)
  7. Herentals: geft 'em buize (=steek een tandje bij)
  8. Munsterbilzen - Minsters: laachte waaj ne boer mèt tandpaajn (=lachen om bestwil)
  9. Gents: op zijn tandvlies zitte (=uitgeput zijn)
  10. Susters: niks oppe tandj höbbe (=niets te eten hebben)
  11. Munsterbilzen - Minsters: da kan ich misse waaj tandpaajn (=dat ook nog !)
  12. Lovendegems: peetse scheirtant (=iemand met een tand kwijt)
  13. Gents: tien buiten tander (=alles in aanmerking genomen)
  14. Sint-Niklaas: 't is teen en tander (=het is me wat)
  15. Giesbaargs: tes tieen of tander (=het is het een of het ander)
  16. Barghs: De riem op de vrèathòak zette (=De broekriem een tandje ruimer zetten na veel eten)
  17. Rotterdams: Je vreetstenen schrobben (=tanden poetsen)
  18. Brakels: der stoat dor tin en tander (=er staat daar veel rommel)
  19. Sint-Niklaas: teen en tander (=het een en het ander)
  20. Stekens: 't is daar nogal teen en tander eh. (=dat is daar nogal wat he.)
  21. Zeeuws: klets klets klandere van tie -en billetje op tandere (=deeg met de handen kneden)
  22. Lichtervelds: ge moet up je tandn biettn en je gat toenieppn (=je moet even goed doorbijten)
  23. Waregems: j'es peetse skoartentand (=hij mankeert enkele tanden)
  24. Munsterbilzen - Minsters: pikke waajen hin (=met lange tanden eten)
  25. Rotterdams: ik loop op me tandvlees (=ik ben moe)
  26. Westerkwartiers: hij was tot de tand'n toe bewoap'nd (=hij was van top tot teen bewapend)
  27. Gents: den diene zijne rugge is uuk nat als gij tschiept, zijn ien uuge zegt foert tegen tandere (=iemand die scheel kijkt)
  28. Haags: zallik jÁh is een hétah voah je trétah gevuh zodat juh tanduh peletons gewés, je reet uit komme marshere? (=wil je klappen?)
  29. Westerkwartiers: hij lopt op zien tandvlees (=hij is dodelijk vermoeid)
  30. Deinzes: pemelen (=met lange tanden eten)
  31. Veurns: Op ze sjieke biet'n (=Op zijn tanden bijten)
  32. Steenwijks: tiesen (=met lange tanden eten)
  33. Alblasserdams: tege heugemeug eten (=met lange tanden eten)
  34. Fries: hier oppe tosken (=haar op de tanden)
  35. Liedekerks: E eit do tiejen en tander geskoept (=Hij heeft daar vanalles wat gestolen)
  36. Munsterbilzen - Minsters: doë kraajg ich de ziëmele van ! (=de tandarts begon deftig op mijn zenuwen te werken)
  37. Weerts: met mien moel vôl tang (=met mijn mond vol tanden)
  38. Merenaars: konijnentannen: werom ejje zulke gruuëte konijnentannen - omda'k neig kan luuëpen (=grote tanden)
  39. Westfries: kauwe as 'n aap op knikkers (=met lange tanden eten)
  40. Munsterbilzen - Minsters: zen taan lotte zien (=haar op zijn tanden hebben)
  41. Zeeuws: k bin w e hauw verlehen me nie lank (=mond vol tanden)
  42. Luyksgestels: un knoelie (=vrouw met haar op de tanden)
  43. Liedekerks: Tes men'n tand(=Dat lust ik niet)
  44. Zemst: Iet veur mene holle tand te vulle (=En kleinigheid eten)
  45. Ninoofs: iemand nen tand trekken / iemand een tatj'n dasjteren (=iemand beetnemen)
  46. Liedekerks: Tes mennen tand (=Dat lust ik heel graag)
  47. Opglabbeeks: mut hand en tand (=met alle kracht)
  48. Diesters: dieën ijt hoar oep zen tande; das ne specioal,dië lot ni op zenen kop schijte ( zitte ), tes ginne sumpele (=het is geen gemakkelijke persoon)
  49. Munsterbilzen - Minsters: doë kraajg ich de krêlkeszeek van (=een tandarts die op de zenuwen werkt)
  50. Lochristis: é weet van toet'n of bloiz'n (=hij staat met zijn mond vol tanden)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen