Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

5 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `passen`

  1. als een tang op een varken passen/sluiten (=niet bij elkaar passen)
  2. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  3. daar valt wel een mouw aan te passen (=daar is wel een oplossing voor te vinden)
  4. met passen en met meten wordt de meeste tijd versleten (=voorbereidingen zijn dikwijls het meest tijdrovend onderdeel van een taak)
  5. op je tellen passen (=voorzichtig zijn)

14 betekenissen bevatten `passen`

  1. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe )
  2. iets op een procrustesbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
  3. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  4. dat wast al het water van de zee niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  5. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  6. als het tij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  7. die staat ziet toe dat hij niet valle (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  8. als een tang op een varken passen/sluiten (=niet bij elkaar passen)
  9. het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)
  10. als het kind maar een naam heeft (=passend of niet, je moet het kunnen noemen (een naam geven))
  11. Dat paard zal mij niet meer slaan. (=Voortaan zal ik beter oppassen)
  12. in geen twee sloten tegelijk lopen (=voorzichtig zijn en op zichzelf kunnen passen)
  13. het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen (=wie in weelde leeft moet oppassen om niet op het slechte pad te raken)
  14. Zijn huik naar de wind hangen (=Zijn mening aanpassen naargelang de situatie)

Het dialectenwoordenboek kent 10 spreekwoorden met `passen`

  1. Tilburgs: ötkèèke èn daoge tèlle (=op je tellen passen)
  2. Westerkwartiers: 't is paaz'n en meet'n (=passen - het passen en meten)
  3. Westerkwartiers: die benn'n goed met 'n anner op streek (=die passen goed bij elkaar)
  4. Oudenbosch: die kleure fokkedeere nie (=die kleuren staan/passen niet bij elkaar)
  5. Graauws: op de deur passen (=thuis blijven)
  6. Sint-Niklaas: wulde da ies gwasloagen (=wil je daar eens op passen)
  7. Drents: Met 't iene oog lachen en met 't aander oog rèren (=Je aan kunnen passen onder alle omstandigheden)
  8. Merenaars: a moet op zen tellen passen, letten (=hij moet goed oppassen, opletten wat hij zegt)
  9. Drents: Hij mot op de zwörm passen. (=Iemand wiens vrouw 'op alledag' loopt)
  10. Steins: die luu ligke zich neet (=sommige mensen passen niet bij elkaar)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen