Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


44 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `licht`

  1. aan het licht brengen (=bekend maken (bijz. van ongunstige dingen))
  2. aan het licht komen (=bekend worden van ongunstige dingen)
  3. adel verplicht (=wie in aanzien bij het volk staat, moet ook aan de verwachtingen van het volk voldoen)
  4. beminnen als het licht van zijn ogen (=erg graag zien)
  5. de hand met iets lichten (=niet scherp opletten, het niet te streng nemen)
  6. de hielen lichten (=weggaan)
  7. de lade lichten (=geld uit de lade halen)
  8. een beentje lichten (=doen struikelen (letterlijk of figuurlijk))
  9. een grote lantaarn, een klein licht (=veel praat, maar weinig verstand)
  10. een lichtje opgaan bij iemand (=iets wordt duidelijk en helder)
  11. een tipje van de sluier oplichten (=een klein stukje van het onbekende onthullen)
  12. een vriendelijk gezicht brengt overal licht (=een vrolijk persoon weet vaak meer te bereiken dan een nors persoon)
  13. geen groot licht zijn (=niet al te slim zijn)
  14. geen licht zonder schaduw (=tussen al het goeie zit altijd ook wel iets minder goeds)
  15. gewogen en te licht bevonden (=na onderzoek afgekeurd zijn)
  16. het anker lichten (=ergens vertrekken, weggaan en verder reizen)
  17. het daglicht niet kunnen verdragen/zien (=iets wordt stiekem of oneerlijk gedaan)
  18. het levenslicht aanschouwen/zien (=geboren worden)
  19. het licht doen zien (=publiceren)
  20. het licht in de ogen niet gunnen (=niets gunnen, er niets van kunnen verdragen)
  21. het licht zien (=geboren worden, ontstaan)
  22. het licht zien (=begrijpen wat men daarvoor nog niet begreep, een oplossing komt in zicht)
  23. iemand de beurs lichten (=van iemand geld stelen/afhandig maken)
  24. iemand de voet lichten (=iemand op gemene manier de baan afnemen)
  25. iemand het licht in de ogen niet gunnen (=iemand absoluut niet kunnen verdragen)
  26. iemand pootje lichten (=iemand doen struikelen)
  27. iemand uit bed lichten (=iemand 's nachts laten opstaan)
  28. iemand uit het zadel lichten (=iemand zijn positie doen verliezen, iemand ontslaan)
  29. iemands doopceel lichten (=zeer uitgebreid vertellen/uitzoeken wie iemand is en wat die in het verleden allemaal gedaan heeft)
  30. iemands licht betimmeren (=in de weg staan - het licht benemen)
  31. iets aan het licht brengen (=iets bekend maken wat verborgen is)
  32. iets voor het voetlicht brengen (=iets onder de aandacht brengen)
  33. in het licht geven (=uitgeven - publiceren)
  34. Niemand zo fijn iets spon of het kwam aan het licht der zon (=Niets kan eeuwig verborgen blijven (Breugel))
  35. nu komt er licht in de duisternis (=nu komt er een oplossing)
  36. op oud ijs vriest het licht (=een oude kwaal komt gemakkelijk weer boven)
  37. uit het zadel lichten (=zijn rang of stand of betrekking doen verliezen)
  38. vele handen maken licht werk (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  39. voor het voetlicht (=in de aandacht)
  40. Ze staat in haar eigen licht (=Ze is trots op zichzelf)
  41. zijn anker kappen/lichten (=er met spoed vandoor gaan)
  42. Zijn licht ergens op laten schijnen (=Iets duidelijk maken)
  43. zijn licht niet onder de korenmaat zetten (=meespreken, je mening geven en laten merken dat je er iets van weet)
  44. zo snel als het licht (=heel snel)

24 betekenissen bevatten `licht`

  1. geen slapende honden wakker maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  2. olie drijft boven (=de waarheid komt aan het licht)
  3. de raven zullen het uitbrengen (=de waarheid komt hoe dan ook aan het licht)
  4. de kraaien zullen het uitbrengen (=de waarheid zal aan het licht komen)
  5. boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
  6. een hazenslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij 't minste geluid wakker wordt)
  7. er is altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is altijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
  8. er niet mee getrouwd zijn (=er niet aan vastzitten, er niet toe verplicht zijn)
  9. aan zijn neus hangen (=hem inlichten)
  10. wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlichten als hij dat niet wil)
  11. iemand op zijn voorman zetten (=iemand nadrukkelijk op zijn plicht wijzen)
  12. iemand een oor aannaaien (=iemand oplichten)
  13. moeten is dwang en huilen is kindergezang (=ik wil het wel doen, maar niet als het me verplicht wordt)
  14. iemands licht betimmeren (=in de weg staan - het licht benemen)
  15. lange tenen hebben (=lichtgeraakt zijn)
  16. een snor aan hebben (=lichtjes dronken zijn)
  17. appelen/knollen voor citroenen verkopen (=oplichten, bedriegen)
  18. in een hap en een snap (=spoedig (zonder respect of plichtplegingen))
  19. naar de haaien gaan (=ten onder gaan, zinken, zeer grote problemen krijgen en wellicht ophouden te bestaan)
  20. Geloof nooit iemand die in de ene hand water en de andere hand vuur draagt (=Wees niet lichtgelovig, niet iedereen is het vertrouwen waard)
  21. zijn hand in een wespennest steken (=zich bemoeien met een problematisch onderwerp en wellicht daardoor zelf moeilijkheden krijgen)
  22. opzitten en pootjes geven (=zich onderwerpen aan een verplicht gesprek)
  23. een rare schaats rijden (=zich raar aanstellen, lichtzinnig leven)
  24. schot en lot betalen (=zijn burgerplicht naar behoren vervullen)

Het dialectenwoordenboek kent 509 spreekwoorden met `licht`

  1. Achterhoeks: Sodom en Gomorra (=Groenlo en lichtenvoorde)
  2. Twents: de oor'n luk kort an 'n kop hebb'n zitt'n (=lichtgeraakt zijn)
  3. Munsterbilzen - Minsters: mètte kenon oppen mèg sjiete (=lichtelijk overdrijven)
  4. Munsterbilzen - Minsters: hübste opten trêk geston (=je bent lichtelijk verkouden)
  5. Waregems: ie es dermee weg zulle (=de lichtgelovige denkt dat het waar is)
  6. Westerkwartiers: de haand d'r met licht'n (=de afspraken niet nakomen)
  7. Teralfene: As de kassoin' pieten onjn' ze ging op eel bloeit gat nui Skerpeneevel. (=Het is een lichtekooi.)
  8. Lichtervelds: je kan dichten zoender ze gat up te lichten (=hij maakt karamellenverzen)
  9. Sint-Niklaas: de grond omdoen (=de grond lichtjes omspitten)
  10. Zeeuws: zeebraken (=lichten zonder donder,volgende dag noordenwind)
  11. Westerkwartiers: d'r ging mij 'n lichtje op (=het werd me duidelijk)
  12. Genneps: Iemes peutje lappen (=Iemand beentje lichten)
  13. Sint-Niklaas: tegen iets titsen (=even iets aanraken of lichtjes aanstoten)
  14. Lebbeeks: konouijne: De konouijne springen tegen d'n draud (=De borsten zien bewegen in de (lichtere) kledij)
  15. Waregems: ie ee ne leem in z'n oëge, ie ee 'n vlieg' in z'n oëge (=hij is lichtjes beschonken)
  16. Koksijds: eje meje hat bloat helehe (=als iemand een lichte verkoudheid heeft)
  17. Waregems: ie koomd achtre (=hij volgt wel (met lichte achterstand))
  18. Sint-Niklaas: die zak is te zwoar, we gon èm verlochten (=die zak is te zwaar, we gaan hem lichter maken)
  19. Lichtervelds: tis ool in bottn (=het is in perioden)
  20. Lichtervelds: toet in dn droaj (=tot ziens)
  21. Lichtervelds: je goat ard of (=hij is geconstipeerd)
  22. Lichtervelds: tis potjebucht (=het is gepeupel)
  23. Lichtervelds: we zyn tgat in (=we vertrekken)
  24. Sint-Niklaas: die ees alle vijf nie, die eé tur mor twee en nen bezekoek, die is nen toer te lank op de meulen blijven zitten (=die man is lichtjes mentaal gehandicapt)
  25. Harelbeeks: J'ee 'n brokke van 'n vallinge (=Hij is licht verkouden)
  26. Merenaars: ieëen van alverdrau donker (=iemand van licht allooi)
  27. Zeeuws: Het ligt kop over klôôten (='t licht door elkaar)
  28. Lichtervelds: tis vant zotte (=het is overdreven)
  29. Lichtervelds: zn gat schuufelt (=hij is tevreden)
  30. Munsterbilzen - Minsters: zen vitsjes lichte (=zijn benen optrekken)
  31. Volendams: et doet buiten krokken (=het sneeuwt licht)
  32. Waregems: es de lucht dood ? (=is het licht uit ?)
  33. Westerkwartiers: die is snel op zien toon'n trapt (=die is licht geraakt)
  34. Kortrijks: de luch dwoa doen (=het licht uit doen)
  35. Horster: in d'n daag stoan (=in het licht staan)
  36. Menens: doe de lucht dwod (=doe het licht uit)
  37. Waregems: doe de lucht dooëd (=doe het licht uit)
  38. Texels: 't skéénstert (=het weinige licht wordt weerkaatst)
  39. Izegems: de luht dwoad doen (=het licht uitdoen)
  40. Meppels: Het gromt/ bromt (=Het sneeuwt licht)
  41. Munsterbilzen - Minsters: èn de wènd (=licht aangeschoten)
  42. Bredaas: gij moaak het licht nog nieje uit man geak (=jij maakt het licht niet uit)
  43. Lichtervelds: in etwieë ze roapn schytn (=bij iemand in ongenade vallen)
  44. Lichtervelds: tusschn doenkern en kloarn (=bij valavond)
  45. Lichtervelds: zn zoake floreert (=hij doet gouden zaken)
  46. Lichtervelds: je geboart van koo (=hij gebaart van niets)
  47. Lichtervelds: jeet andn lik koolschippn (=hij heeft grote handen)
  48. Lichtervelds: jis bruun (=hij heeft het zitten)
  49. Lichtervelds: jeet de beutr upgeetn (=hij is de dupe)
  50. Lichtervelds: je kan nie mièè goapn van moeteid (=hij is doodmoe)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen