18 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oem`
- aan de boemel zijn (=fuiven)
- aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
- de bloemetjes buiten zetten (=uitbundig vieren)
- de dingen bij hun naam noemen (=zeggen waar het op staat)
- de vruchten zullen de beloften der bloemen overtreffen (=het is nu al goed, maar het eindresultaat wordt nog veel beter)
- een muurbloempje zijn (=stil en teruggetrokken zijn)
- eigen roem/lof stinkt (=door over jezelf op te scheppen maak je een nare indruk)
- geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
- grijze haren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
- het beestje bij zijn naam noemen (=duidelijk en precies zeggen hoe je over iets of iemand denkt; precies zeggen hoe iets zit)
- het kind bij de naam noemen (=eerlijk voor de mening uitkomen)
- laten we elkaar geen mietje noemen (=laten we precies zeggen hoe we denken over de ander)
- man en paard noemen (=niets verzwijgen)
- man en paard noemen. (=duidelijke taal spreken)
- meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragen (=een aanmoediging om meisjes met bloemen te kussen)
- men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
- niemand genoemd, niemand gelasterd. (=het vermijden van het noemen van namen voorkomt onnodige ruzie)
- ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
13 betekenissen bevatten `oem`
- de spijker op de kop slaan (=de kern van de zaak benoemen)
- nomen nescio (=de niet genoemde persoon)
- er geen doekjes om winden (=de waarheid onverbloemd vertellen)
- de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
- meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragen (=een aanmoediging om meisjes met bloemen te kussen)
- niemand genoemd, niemand gelasterd. (=het vermijden van het noemen van namen voorkomt onnodige ruzie)
- aan een dood paard trekken. (=je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
- op een blind paard wedden. (=je inzetten voor iets wat gedoemd is te mislukken)
- een knuppel in het honderd gooien (=kritiek geven zonder namen te noemen)
- ongesuikerd zeggen waar het op staat (=onverbloemd de waarheid zeggen)
- iemand ongezouten de waarheid zeggen (=onverbloemd de waarheid zeggen, eerlijk zeggen waar het op staat)
- het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)
- als het kind maar een naam heeft (=passend of niet, je moet het kunnen noemen (een naam geven))
33 dialectgezegden bevatten `oem`
- Aa ei gieëne naugel oem ze gat te krabbe (=Hij heeft geen geld / mogelijkheden) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- Aa hei ne smoel oem aat oep te kappe (=Hij heeft een onaantrekkelijk gezicht) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- ajis te stoem oem lege zakke recht te zette (=hij is waardeloos) (Antwerps)
- Ast er iet is.....da welle gekreege hemme van ozze lieven hiejer. Dan ist toch wel `TIJD` en een lijf in ozze bloewete. Ge zoo zot mutte zen, oem da deur een aander te loate verkloewete. (=Als er iets is dat we gekregen hebben van onzen Lieven Heer, dan is het toch wel `TIJD` en een lichaam in onzen bloten. Ge zou toch gek moeten zijn, om dat door iemand anders let laten verkloten.) (Geels)
- Dat is langs Loenhout oem (=Dat is een grote omweg) (Brechts)
- desser ein oem sjenderme uut te kweke (=grote bars uitziende vrouw) (Opglabbeeks)
- Dieë hijt ginne nagel oem ze gat te krabbe; dieë zit oep druuëg zoad, dieë moet krabbe oem er te koome (=Hij heeft geen geld) (Diesters)
- Dieë vengt ei ne smoel oem strongt oep te sortere (=Die man heeft een onsympathiek gezicht.) (Antwerps)
- dieje hee e bakkes oem een petrel oep te ploeje (=hij trekt een lelijk gezicht / is niet tevreden) (Geels)
- Dieje hei ne kop oem leir oep te kloppen (=Hij heeft een lelijk gezicht) (Herentals)
- Dien ei ginne rotte frang oem on ze gat te krabbe (=Hij heeft geen geld) (Antwerps)
- en kont oem hout oep te kappe; e dik gat; en dikke poep (=een dik achterste) (Diesters)
- Es't veu drekt mei te lachen of kundem emballeren oem mei te pakken ` (=Als je een mop flauw vindt) (Brussels)
- Ga is oem chacutrie (=Ga eens om bijval) (Geels)
- gi wijr oem nen hont deur te jaage; hondewijr (=zeer slecht weer) (Diesters)
- Gij het ne kop oem stront oep te sorteren (=Je bent lelijk) (Bornems)
- haa moe ni gezopen hemme oem comik te doen (='t is ne zeveraar) (Brussels)
- hè hèttem ferrem oem (=hij is behoorlijk dronken) (Opglabbeeks)
- heis oem ziep (=hij is dood) (Buggenhouts)
- Iemand oem zikkelzaud sture (=Iemand foppen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- ik stoan er ni oem te springe (=ik heb daar niet veel zin in) (Antwerps)
- kliejet ew eige oem (=andere kleding aantrekken) (Geels)
- Ne koepon naa Mechelen oem en troem (=Een treinkaartje Mechelen heen en terug) (Sint-Katelijne-Waver)
- nən toer oem (ovər) alf zévə (=een nodeloze inspanning, zinloze omweg) (Kalforts)
- oem de vaaf voete (=Voortdurend) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- oem en oem (=ieder op zijn beurt) (Opglabbeeks)
- oem te zieng godde moete betoale (=om te kijken zal je moeten betalen) (Antwerps)
- slag oem slinger werk'n (=onophoudelijk in de weer zijn) (Wevelgems)
- Te stoem oem 't eulepe dondere (=Te dom om te helpen donderen) (Mechels (BE))
- te stoem oem t helpe te dondere (=niet bijster slim) (Antwerps)
- teste voël oem me en tang aan te raoke (=zeer vuil) (Diesters)
- tis oem (=het is voorbij) (Opglabbeeks)
- Ze mut oem straule gaun (=Zij moet om Röntgen stralen gaan) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen