Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


34 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `schoen`

  1. Aan de ene voet een schoen, de ander blootvoets (=Evenwicht is voornaamst)
  2. daar wringt de schoen (=weten waar het probleem zit)
  3. de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  4. de handschoen opnemen (=het gevecht aangaan)
  5. de moed in de schoenen doen zinken (=wanhopig worden en de moed verliezen)
  6. de stoute schoenen aantrekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
  7. denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  8. ergens met lood in de schoenen naar toe gaan (=ergens verschrikkelijk tegen opzien)
  9. geen katje om zonder handschoenen aan te pakken (=geen gemakkelijk persoon)
  10. het hart in de schoenen zinken (=alle moed en hoop verliezen om problemen op te lossen)
  11. het hart zinkt hem in de schoenen (=hij verliest alle moed)
  12. iemand de handschoen toewerpen (=iemand ergens toe uitdagen of met iemand de strijd willen aangaan)
  13. iemand iets in de schoenen schuiven (=iemand aanwijzen als de schuldige of als de verantwoordelijke voor een mislukking)
  14. in de schoenen schuiven (=(vaak onterecht) beschuldigen)
  15. in iemands schoenen staan (=het lot van iemand anders ondergaan)
  16. in zijn laatste schoenen lopen (=het einde naderen - erg ziek zijn)
  17. men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft (=je moet niet iets al afdanken zonder dat er een vervanger voor is)
  18. met lood in de schoenen (=met heel veel tegenzin of angst )
  19. naast zijn schoenen lopen (=te veel eigendunk hebben)
  20. niet erg vast in de schoenen staan (=zich gemakkelijk laten ompraten)
  21. niet graag in iemand schoenen staan (=niet graag willen ervaren hoe het is iemand anders te zijn die in een moeilijke of onprettige situatie zich bevindt)
  22. onder de schoenzolen schrijven (=ergens niets van terecht komen)
  23. op een schoen en een slof aankomen (=niets hebben en ergens komen)
  24. oude schoenen wegwerpen voor men nieuwe heeft (=het onzekere voor het zekere nemen)
  25. over de hoge schoenen lopen (=te ver gaan of niet realistisch zijn)
  26. recht in zijn schoenen lopen/staan (=eerlijk zijn, niets misdaan hebben)
  27. schoenmaker blijf bij je leest (=hou je niet bezig met dingen waar je niets van weet)
  28. van zijn mast een schoenpin maken (=iets goeds bederven om iets van weinig waarde te bekomen)
  29. vast in zijn schoenen staan (=erg zeker zijn)
  30. waar de schoen wringt (=waar iemand hinder van ondervindt)
  31. weten waar de schoen wringt (=weten waar het probleem zit)
  32. weten waar het schoentje knelt/wringt (=weten waar het probleem zit)
  33. wie de schoen past trekke hem aan (=wie schuldig is mag zich aangesproken voelen)
  34. zijn land ligt in zijn schoenen (=hij is een grote opschepper)

Het dialectenwoordenboek kent 65 spreekwoorden met `schoen`

  1. Lochristis: zijn mijn schoens ol gekuist (=zijnmijn schoenen reeds gepoetst)
  2. Mechels (BE): schoen schoone (=mooie schoenen)
  3. Westerkwartiers: ze kocht noagal gauw es nije schoen'n (=zij kocht regelmatig nieuwe schoenen)
  4. Oudenbosch: oeke schoene edde gij (=wat voor schoenen heb jij)
  5. Heist-op-den-Berg: bes in heer schoene (=Zonder kousen in de schoenen)
  6. denderleeuws: past denne schoen a na? (=past die schoen u?)
  7. tilburgs: Doe'w nissels vaast (=Maak je schoenveters vast)
  8. Sint-Niklaas: eur schoenen (=haar schoenen...)
  9. Lokers: As ge ne neuze hét, keude rieken (=Wie het schoentje past, trekt het aan)
  10. Westerkwartiers: hij stijt niet vaast ien zien schoen'n (=hij is niet standvastig)
  11. Lummens: ich mot noch schoenmake (=ik moet nog poetsen)
  12. Westerkwartiers: die kirrel stijt scheef ien 'e schoen'n (=die man is oneerlijk)
  13. Oudenbosch: ij lopt neve z n schoene (=hij is verwaand)
  14. Lebbeeks: pjeid: Dau leit 't pjeid gebonn'n (=Daar knelt het schoentje)
  15. Venloos: kwante hippe [= bargoens] (=mooie schoenen)
  16. Westerkwartiers: schrief dat moar onner dien schoenzool'n (=dat kun je wel vergeten !!)
  17. Haags: je mot gein âhwe schoene weggauie voâhdat je 'n nieuwe daus heb (=Je moet je oude schoenen niet weggooien, voordat je nieuwe hebt.)
  18. Tilburgs: mèn nuuw schoen zèn nòg as nuut (=mijn nieuwe schoenen zijn nog als nieuw)
  19. Westerkwartiers: hij lopt noast zien schoen'n (=hij is over het paard getild)
  20. Westerkwartiers: de moed zakt heur ien 'e schoen'n (=zij laat de moed zakken)
  21. Munsterbilzen - Minsters: hae mokde zich kaud (=de schoenmaker schoot uit zijn sloffen)
  22. Fries: hestte een plak ontbijtkoeke derre (=stront onder de schoen)
  23. Bilzers: doë vrinket sjinke (=daar wringt de schoen)
  24. Zeeuws: verlêêsten (=De schoen op tafel zetten)
  25. Westerkwartiers: 'k ging 'er hen met lood ien 'e schoen'n (=ik ging er bang naar toe)
  26. Westerkwartiers: 'k wol niet groag ien zien schoen'n stoan (=ik ben niet graag in zijn situatie)
  27. Westerkwartiers: gien olle schoen'n votsmiet'n veur je nije'n hemm'n (=niets ouds wegdoen voor je iets nieuws hebt)
  28. Lovendegems: deur zijn schoenen zitten (=kapotte schoenen hebben*)
  29. Helders: Een nat zeikie. (=Water in je schoenen.)
  30. Westerkwartiers: 't bij 'n aaner ien 'e schoen'n schuuv'm (=iemand ander de schuld geven)
  31. Sint-Niklaas: die schoenen slokken (=met te grote schoenen gaan)
  32. Munsterbilzen - Minsters: baeter misgesjoëte dan nie gesjoëte (=beter een gat in je schoen dan een schoen in je gat)
  33. Eindhovens: Hedde nei hoef? (=Heb je nieuwe schoenen?)
  34. Luyksgestels: strante schoewn oantrekke (=stoute schoenen aantrekken)
  35. Antwerps: schoen van vaar, mor vaar van schoen (=mooi van ver maar verre van mooi)
  36. Munsterbilzen - Minsters: zene sjoen zètte (=zijn schoen plaatsen om wat van sinterklaas te krijgen)
  37. Mestreechs: mien sjeun zien op de rijpe (=mijn schoenen zijn kapot)
  38. Sint-Niklaas: die schoenen slokken (=die schoenen zijn te groot)
  39. Oudenbosch: kunde gij al ne knoop in oew schoene le-ge ? (=kun je al een strik maken ?)
  40. Aalsters: Pastapora (=Past dat paar (schoenen) U?)
  41. Leuvens: pasdapôraado (=Pas dat paar oude schoenen daar)
  42. Westerkwartiers: de stoude schoen'n aantrekk'n (=het aandurven)
  43. Lokers: Zijne schoen zèten, op struuët liggen (=Sterven)
  44. Lokers: Mee den (h)auten schoen strijken (=Strijken op een slordige, haastige manier)
  45. Budels: hi drigt ug gen huj in ow schoen (=van hem krijg je niets)
  46. Lovendegems: een kerre te gruut zijn (=een maat te groot(schoenen)*)
  47. Oudenbosch: ij denkt dattie -j-ut is (=hij loopt naast zijn schoenen)
  48. Helmonds: wa hédde gai skôn skoen (=wat heeft u mooie schoenen)
  49. Oudenbosch: waddedde wir n paor kaole teute (=je moet nodig je schoenen poetsen)
  50. Westerkwartiers: ik wiet woar de schoen wringt (=ik ken de problemen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen