Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Eén spreekwoord bevat `moeilijk`

  1. in een moeilijk parket zitten (=moeilijkheden hebben)

72 betekenissen bevatten `moeilijk`

  1. Het varken is door de buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: Alles is doorgestoken kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  2. komt men over de hond, dan komt men over de staart (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf)
  3. de kat de bel aanbinden (=als eerste een begin maken aan iets moeilijks (een lastige klus of een ingewikkeld gesprek))
  4. het is maar een weet (=als het eenmaal bekend is, is het niet moeilijk meer)
  5. jong te paard, oud te voet (=als je in je jeugd erg wordt verwend, krijg je het later erg moeilijk)
  6. nood breekt wet (=bij moeilijke omstandigheden is er meer geoorloofd)
  7. goede raad is duur (=bijna te moeilijk om raad te kunnen geven)
  8. daar zit 'em de kneep/knoop (=daar zitten de moeilijkheden/problemen)
  9. dat heeft nogal wat voeten in de aarde (=dat is moeilijk te realiseren)
  10. dat is andere peper (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  11. dat is andere tabak (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  12. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  13. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  14. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  15. een zware pijp roken (=door eigen schuld in moeilijkheden komen)
  16. een gladde aal (=een gewiekst persoon (moeilijk te vangen))
  17. een heet hangijzer (=een moeilijk onderwerp waar veel discussie over bestaat)
  18. de bot kunnen gallen (=een moeilijke taak aankunnen)
  19. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan komen)
  20. een harde knoest heeft een scherpe bijl nodig (=een slechte gewoonte is moeilijk te verdringen)
  21. niet over rozen gaan (=er zijn nogal wat moeilijkheden)
  22. zo glad als boter (=erg glad - moeilijk te pakken te krijgen)
  23. zuur opbreken (=ergens mee in moeilijkheden komen (later))
  24. in de knoei zitten (=grote moeilijkheden of zorgen hebben)
  25. met een lantaarn te zoeken (=heel zeldzaam , moeilijk te vinden)
  26. wat de vos niet weet, weet de haas ook niet (=het is moeilijk iets te weten als het je nooit verteld is)
  27. met onwillige honden is het slecht hazen vangen (=het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen)
  28. er is maar een f in het abc (=het juiste midden vinden, is moeilijk)
  29. onkruid vergaat niet (=het slechte is moeilijk uit te roeien)
  30. zoveel hoofden, zoveel zinnen (=iedereen heeft een eigen mening waarbij men moeilijk samen tot een oplossing kan komen)
  31. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  32. iemand op de pijnbank leggen (=iemand het moeilijk maken en daarmee dwingen iets te doen)
  33. het iemand warm maken (=iemand in moeilijkheden brengen)
  34. zwaar op de maag liggen (=iets een moeilijk probleem vinden)
  35. haken en ogen geven (=iets heeft veel moeilijkheden)
  36. een hard gelag zijn (=iets is moeilijk te dragen)
  37. de voet dwars zetten (=iets verhinderen of bemoeilijken)
  38. ergens als een berg tegen opzien (=iets voor zichzelf beschouwen als een zeer moeilijke, of onplezierige, taak of omstandigheid)
  39. dat zal hem niet glad zitten (=iets zal niet meevallen en moeilijk zijn)
  40. in de penarie zitten (=in grote moeilijkheden zitten)
  41. Zijn maag wel aan de kapstok kunnen hangen. (=In moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig eten kan kopen.)
  42. aan de heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scrupules)
  43. het roer in handen hebben (=leiding geven en door moeilijke tijden heen komen)
  44. een boer met kiespijn lacht niet (=mensen met pijn kunnen moeilijker ontspannen)
  45. in het gedrang komen (=met moeilijkheden te maken krijgen)
  46. met onbevaren volk is het slecht zeilen (=met onervaren mensen is het moeilijk werken)
  47. de lat hoog leggen (=moeilijk haalbare doelen stellen)
  48. op twee gedachten hinkelen/hinken (=moeilijk kunnen beslissen)
  49. op gespannen voet (zijn) (=moeilijk met elkaar omgaan, ruzie)
  50. te vangen als een aal bij zijn staart (=moeilijk te vatten)

Het dialectenwoordenboek kent 96 spreekwoorden met `moeilijk`

  1. Leeds: zijne pére zien (=moeilijkheden hebben)
  2. Bilzers: doë likket kaaf gebonne (=daar zit de moeilijkheid)
  3. Ninoofs: skiëve komisje (=moeilijke boodschap)
  4. Lovendegems: zijne pere afzien (=zware moeilijkheden*)
  5. Westerkwartiers: hij is 't lied'n wel wend (=hij heeft altijd moeilijkheden)
  6. Gents: op ne wier zitten (=in moeilijkheden zitten)
  7. Oudenbosch: deur de kurdons ene (=over de moeilijkheden heen)
  8. Oudenbosch: ut lek is wir bove waoter (=de moeilijkheden zijn weer voorbij)
  9. Lichtervelds: je zit mè ze gat vul schuldn (=hij heeft financiële moeilijkheden)
  10. Zeeuws: ie ei zn eihen in n iksternist estoken (=moeilijke kwestie)
  11. Bilzers: en den aop gelozjiërd zin (=in moeilijkheden zitten)
  12. Munsterbilzen - Minsters: n hel nieët kraoke (=een moeilijke periode doormaken)
  13. Sint-Niklaas: een pikketijn (=een moeilijke, bazige vrouw)
  14. Hansbeeks: jis tjei pertang nie contreire (=Het is geen moeilijke mens)
  15. Munsterbilzen - Minsters: de boekhaager zoet èn de rats (=de boekhouder zat in moeilijke papieren)
  16. Westerkwartiers: da's 'n heule opgoave (=dat is een moeilijke opdracht)
  17. Munsterbilzen - Minsters: das zwaure toebak (=dat is een moeilijke opgave)
  18. Brugs: 'n kiend koopn mè nen plastroeng an (=moeilijke bevalling)
  19. Munsterbilzen - Minsters: aste dae op ze daok kraajgs- (=dat is een moeilijke vent)
  20. Zeeuws: die ei wezenlik un kopje u din (=man met moeilijke vrouw)
  21. Rotterdams: Hij hep 'n gladde aal bai der staart. (=hij heeft een moeilijke vrouw)
  22. Tilburgs: as onze paa dè zie, is ut kòt te klèèn (=als vader dat ziet, komen er moeilijkheden van)
  23. Westerkwartiers: hij het wel veur hiedere vuur'n stoan (=hij heeft wel groter moeilijkheden overwonnen)
  24. Westerkwartiers: dat was 'n heule oberoatie (=dat was een hele moeilijke klus)
  25. Sint-Laureins: ne pui op nen weegle zettn (=een moeilijke opdracht uitvoeren)
  26. Munsterbilzen - Minsters: a (=dat is een moeilijke vent)
  27. Sint-Niklaas: steeg van afgoan (=moeilijke stoelgang)
  28. Venloos: Alle begin is zwaor, behalve beej de lompeman (=Alle begin is moeilijk)
  29. Asses: zènne pere zien (=het moeilijk hebben)
  30. Munsterbilzen - Minsters: te pas zin (=het moeilijk hebben)
  31. Sint-Niklaas: frutselweirk (=moeilijk, geduldig werk)
  32. Hoeilaart: Dweize achterwetsouver (=moeilijk mens)
  33. Westerkwartiers: hij zicht overaal oap'n en beer'n (=hij ziet overal moeilijkheden)
  34. Munsterbilzen - Minsters: kaarkësnès mok hannekesnès (=krapuul brengt alleen maar moeilijkheden mee)
  35. Veurns: ze droai nie vieng'n (=zich moeilijk aanpassen, moeilijk wennen)
  36. Veurns: 't Is è kaf an m'n ieël'n (='t Valt me niet moeilijk)
  37. Hams: een oer van n deur (=een deur dat moeilijk toegaat)
  38. Sint-Katelijne-Waver: Hij heeft zijne pere gezien (=Hij heeft het moeilijk gehad)
  39. Sint-Niklaas: 't is nun ertefretter (=het is een moeilijke, ontevreden persoon)
  40. Sint-Niklaas: in de prang zitten (=in een moeilijke situatie zitten, vast zitten)
  41. Sint-Niklaas: doar godde lijnen mé roûn (=dat gaat voor u verkeerd aflopen (moeilijkheden mee krijgen))
  42. Ronsisch: Geneipen zieten (=Het geldelijk moeilijk hebben)
  43. Kortemarks: je snakt achtr znen oasme (=hij ademt moeilijk)
  44. Westfries: niet te bestrukkerig (=niet te moeilijk doen)
  45. Aalsters: Ze is weir in eren diaprast (=Ze doet weer moeilijk)
  46. Rous (Sint-Genesius-Rode): yj goa zâ père zeng (=hij zal het moeilijk hebben)
  47. Bilzers: ich geleef nie en sinterkloës (=moeilijk te geloven)
  48. West-Vlaams: goje zaagn (=ga je moeilijk doen)
  49. Nuths: eine garetige (=een moeilijk mens)
  50. Opglabbeeks: doa kumt hiel get biej kieke (=het is moeilijk)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen