Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `koek`

  1. dank je de koekoek (=mij niet gezien!)
  2. dat haal je de koekoek (=mij niet gezien!)
  3. dat is andere koek (=dat is heel iets anders)
  4. dat is lariekoek (=dat heeft iemand verzonnen)
  5. de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  6. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  7. de koek is op (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
  8. een koekje van eigen deeg (=iets geven (of krijgen) wat oorspronkelijk bedacht is door degene die het krijgt (of geeft))
  9. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  10. het is koek en ei tussen hen (=ze zijn zeer bevriend)
  11. het is niet koek en ei (=er ontbreekt iets aan de situatie)
  12. Ieder bakt zijn koek zoals hij hem eten wil. (=Iedereen behartigt zijn zaken, op een manier zoals hij dat zelf wil.)
  13. iets voor zoete koek slikken (=iets zomaar geloven)
  14. kletskoek (=onzin)
  15. lieverkoekjes worden hier niet gebakken (=zin of geen zin, je moet het doen)
  16. op is de koek, en weg zijn de dubbeltjes (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)

Het dialectenwoordenboek kent 53 spreekwoorden met `koek`

  1. Overmeers: 'n vel makrons (=makrons (koekjes))
  2. Munsterbilzen - Minsters: moplag lègge, niemed zègge, koekle koekle hand èn hand, ich hüb mèr ée paor....enz (=zakdoek leggen)
  3. Bilzers: das aanderen tei as kaffei (=dat is andere koek)
  4. Oudenhoofs: g'eet er koek'n op (=doe uw best)
  5. Genneps: Dat dankt ouw de koekkoek (=Nou, echt bedankt hoor)
  6. Lichtervelds: jeet een êrte lik e koekkebroîd (=hij is goedhartig)
  7. Tilburgs: wenne koekesjoeres (=wat een halve gare)
  8. Antwerps: t'is koekenaai (=alles valt binnen de plooien)
  9. Bilzers: tés wir koekenee (=de ruzie is weer bijgelegd)
  10. Koekelaars (Koukeloars): ol toope (=allemaal samen)
  11. Sint-Niklaas: min koeketien (=mijn vrouw (= al lachend))
  12. Antwerps: t'is koekenbak tusse die twé (=verliefd koppel)
  13. Boakels: hai vet un kuukske (=hij neemt een koekje)
  14. Munsterbilzen - Minsters: draeje waaj ne koekerêl (=duizelig zijn)
  15. Aarschots: koekebakke mee raavoot (=pannenkoeken met boerenwormktuid)
  16. Tilburgs: prissentêert us un kuukske !! (=ga eens rond met de koekjes !!)
  17. Bilzers: e kikske tiëge ze brikske (=je krijgt geen koekje)
  18. Koekelaars (Koukeloars): 'k Ho no kottem. (=Ik ga naar huis.)
  19. Koekelaars (Koukeloars): t' is stoend were (=t' is slecht weer)
  20. Zeeuws: alla hi ni je moeder en zei asse koekn bakt (=in de weg lopen)
  21. Koekelaars (Koukeloars): Me zien vors. (=We zijn weg.)
  22. Zeeuws: merrehenochend om dezen tied ,a de koekoek heeste schiet (=morgen ochtend)
  23. Zeeuws: merrehen ochend om dezen tied a de koekoek heeste schiet (=wanneer)
  24. tervurens: tes koekenbak (=het spel zit op de wagen)
  25. Twents: koffie met 't bloate gat (=koffie zonder iets erbij (koekje, taart))
  26. Tilburgs: hoen kuukske wi de hèn (=wat voor een koekje wil je)
  27. Munsterbilzen - Minsters: das koekoek éne zang (=het blijft allemaal gelijk)
  28. Munsterbilzen - Minsters: koekoek ene zang (=dat is egaal)
  29. Westerkwartiers: dat gijt d'r ien as 'n preek ien 'n ollerling (=dat gaat er in als koek)
  30. Deinzes: ge moet nie zuu stoan koekeloern (=je moet niet zo staren en niets doen)
  31. Sint-Niklaas: pap mè pikalonen è koekebakken mè pek (= antwoord... al schersend) (=wat gaan wij eten?)
  32. Sint-Katelijne-Waver: Aad jaar Nief jaar twiê koeken is eu paar kwèns aa ne gelukkige nievejaar (=Oud jaar,nieuwe jaar twee koeken is een paar 'k wens je een gelukkig nieuwjaar)
  33. Amsterdams: Hij hep een koekie uit het trommeltje late falle (=Hij heeft een scheet gelaten)
  34. Munsterbilzen - Minsters: kaokële ès niks,mér eer lègge ès kuns (=het uitleggen is goed,maar het ook doen is andere koek)
  35. turnhouts: 't is koek en aai (=Alles loopt goed)
  36. Turnhouts: 't Is koek en aai (=Goed overeen komen)
  37. Rotterdams: Motje een kaakie bij je bakkie? (=Wil je een koekje bij de koffie?)
  38. Schevenings: lekker bakje met 'n dingetje (=Kopje koffie met een koekje)
  39. Maas en waals: luste nog un kuukske (=moet je een koekje hebben)
  40. Waregems: in 't begun es't ol wa wilde en wa zilde, in 't begun 'n kan 't nie ip (=eerst is alles koek en ei)
  41. Tilburgs: un naokende tas teej (=een kop thee zonder koekje (of iets dergelijks))
  42. Munsterbilzen - Minsters: tès wir koek en ee (='t is weer bijgelegd)
  43. Munsterbilzen - Minsters: koekoek éne zank (=eentonige en saaie bedoening)
  44. Munsterbilzen - Minsters: tès ammel koekoek éne zank (=het is allemaal gelijk)
  45. Opglabbeeks: det dankt zich de koekoek (=mij niet gezien)
  46. Sevenums: din zal de koekoek nit mieer hure (=werd weleens gezegd van iemand die erg ziek was)
  47. tervurens: nen toek of koek op aa bakkes (=een slag op uw gezicht)
  48. Gents: mijn koeketiene (=mijn concubine (vrouw met wie men een buitenechtelijke verhouding heeft))
  49. Sint-Katelijne-Waver: 't Is allemaa koek iênen diêg (=Die zijn beste maatjes)
  50. Bosch: kheb unne koekerel zien draoie op ut rendje van dun geut (=ik heb een tol zien draaien op het randje van de goot)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen