Spreekwoorden met `kort`

Zoek

25 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kort`

  1. aan het kortste eind trekken (=in de ongunstigste positie zijn / verliezen)
  2. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  3. binnen de kortste keren (=heel snel, bijna onmiddellijk)
  4. een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen (=eigen bezit beschadigt men minder dan gekregen of gehuurd bezit)
  5. een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen. (=men is geneigd andermans spullen te misbruiken)
  6. een kort liedje is gauw gezongen (=het onaangename gaat snel genoeg voorbij)
  7. erbij staan voor Jan met de korte achternaam (=geen zinvolle activiteit hebben)
  8. handen tekort komen (=te weinig hulp hebben , overstelpt worden)
  9. iemand kort houden (=iemand niet veel bewegingsvrijheid geven (fig.))
  10. iemand tekort doen (=iemand te weinig geven of begrijpen)
  11. kort aangebonden (=weinig zeggend, onvriendelijk)
  12. kort dag zijn (=snel (in tijd) naderen)
  13. kort door de bocht (=voorbarig, nuanceringen negerend. Voorbeeld: `De bewering dat fractiediscipline de democratie om zeep helpt is misschien wat te kort door de bocht.`)
  14. kort en bondig (=snel en duidelijk)
  15. kort en goed valt licht en zoet. (=pak dingen snel op en doe het goed)
  16. kort van stof (=weinig zeggend, onvriendelijk)
  17. kortaangebonden zijn (=snel boos zijn)
  18. korte afrekening maakt lange vriendschap (=snel terugbetalen (teruggeven) voorkomt ruzie)
  19. korte metten maken (=doortastend optreden)
  20. korte rekeningen maken lange vriendschappen. (=financiële geschillen moet je direct oplossen)
  21. leugens hebben korte benen (=met liegen kom je niet ver)
  22. menen ligt dicht bij kortrijk (maar verre van Waregem) (=iets menen is niet genoeg; je moet er zeker van zijn.)
  23. tekortdoen (=niet goed verzorgen, niet genoeg geven)
  24. tekortkomen (=niet genoeg (kunnen) doen)
  25. tekortschieten (=iets onvoldoende hebben of kunnen doen)

17 betekenissen bevatten `kort`

  1. ars longo vita brevis (=de kunst blijft lang en het leven is kort)
  2. een tukje doen (=een kort middagslaapje)
  3. water in je kelder hebben (staan) (=een te korte broek aanhebben)
  4. met de billen bloot (=eerlijk en open zijn over fouten of tekortkomingen.)
  5. een blauwe maandag (=erg kort)
  6. mooie liedjes duren niet lang (=geluk is van korte duur)
  7. op het procrustesbed leggen (=grofweg inkorten)
  8. als de dagen lengen, gaan de nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  9. in een zwenk (=in heel korte tijd)
  10. in een mum van tijd (=in heel korte tijd)
  11. in een vloek en een zucht (=in heel korte tijd , zonder moeite)
  12. in een wip (=in heel korte tijd , zonder moeite)
  13. een plaat voor je hoofd hebben (=kortzichtig zijn, niet open staan voor de omgeving)
  14. lekker is maar één vinger lang (=oppervlakkige genoegens geven ook maar een betrekkelijke voldoening. / leuke dingen duren meestal maar erg kort)
  15. de liefde kent vlek nog gebrek. (=verliefde mensen zijn blind voor tekortkomingen van hun partner)
  16. kort door de bocht (=voorbarig, nuanceringen negerend. Voorbeeld: `De bewering dat fractiediscipline de democratie om zeep helpt is misschien wat te kort door de bocht.`)
  17. als de dagen lengen begint de winter te strengen. (=wanneer de dagen korter worden komt de winter eraan)

50 dialectgezegden bevatten `kort`

  1. 'k hem water in mene kelder (=mijn broekspijpen zijn te kort) (Schunnebroecks)
  2. 'n kort gebéd en''n lange métworst (=Niet te lang praten maar beginnen) (Genneps)
  3. 't Geheim van e good huwelik is e kort memoriej. (=Het geheim van een goed huwelijk is een kort geheugen.) (Kinroois)
  4. 't is kort kjieërn (=het gaat snel) (Kaprijks)
  5. 't is kort kjieërn (=er is weinig tijd) (Kaprijks)
  6. 't is kort van den enen (=het is kwart voor 1) (Sint-Niklaas)
  7. 't Laeve det wae te kort vinje bestuit meistal oet daag diej wae te langk vinje! (=Het leven dat wij te kort vinden bestaat grotendeels uit dagen die wij te lang vinden!) (Kinroois)
  8. 't leaven is as 'n keenderhèèmd, mest'ntieds te kort (=het leven is als een kinderhemdje, meestal te kort) (Twents)
  9. 't minnert mooi (=het kort mooi in) (Westerkwartiers)
  10. 't stoa woadre in zijne keldre (=zijn broek is te kort) (Ursels)
  11. 't stoa woater ih' zijne kaawdere (=zijn broek is te kort) (Eekloos)
  12. 't stoa woater in zijne kelder; zein broek ë onder den tram gezétne (=zijn broek is te kort) (Oudenaards)
  13. 't stoa woatre in zijne keldre (=zijn broek is te kort) (Waregems)
  14. 'T was mar un blauwe maendag (=Als iemand ergens kort lid / bij is geweest) (Flakkees)
  15. ‘t is kort kieërn (=er is niet veel tijd) (Kaprijks)
  16. ‘t was langs de veurdeur binnen en langst d’achterdeur verrom nor buit'n (=zeer kort bezoek) (Meers)
  17. "n zitnt gat vedeent neet wat (=hou de pauze kort) (Rijssens)
  18. A ee woeëter in zanne keljer (=Zijn broek is te kort) (Ninoofs)
  19. A lupt oep smirrekes (=Zijn broek is te kort) (Mechels (BE))
  20. ajei woater in zaane kelder (=zijn broek is te kort) (Niels)
  21. ajei woater in zanne kelder (=zijn broek is veel te kort) (Niels)
  22. As de zunne zit in 't westen bin de luien op zien besten (=Je kunt beter overdag werken, de avond is kort) (Giethoorns)
  23. As de zunne zit in 't westen, bin de luien op zien besten (=Je kunt beter overdag werken, de avond is kort) (Giethoorns)
  24. betaul'n: D'n dèdde kieë betaul'n! (=De derde keer betalen (werd gezegd als je iemand 2x kort na elkaar tegen 't lijf liep)) (Lebbeeks)
  25. beter un kort en goei leven as un lang en slecht (=beter een kort en goed leven dan een lang en slecht) (Brabants)
  26. Bockstoeël es doeë (=Zijn broek is te kort) (Ninoofs)
  27. d´r achterhen kiek´n (=kort bezoeken) (Twents)
  28. dae ès kot aoëngebonne (=hij heeft een kort lontje - snel geïrriteerd) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. dae onthult mér van snoenës tot 12 oere (=hij heeft een kort geheugen) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. dae ze pètsje koëk rap iëvër (=hij heeft een kort lont) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. das ne schorrekop (=man met heel kort geknipt haar) (Sint-Niklaas)
  32. Dat moidje het hoogwater. Gaat over een jongen met één broek, met te korte pijpen. (=Dat meisje heeft hoogwater (als je lange broek te kort of boven enkels was) .) (Westfries)
  33. de hubs woater in zènne kalder (=je broek is te kort) (Vlijtingens)
  34. de oor'n luk kort an 'n kop hebb'n zitt'n (=lichtgeraakt zijn) (Twents)
  35. der stoa woidr in zij'n keldre (=zijn broekspijpen zijn te kort) (Lochristis)
  36. dit is't verhoal ien 'e neudedop (=dit is het verhaal in het kort) (Westerkwartiers)
  37. droaën in kieërn (=een kort bezoekje) (Kaprijks)
  38. è ee woadder in zijne kewdre stoan (=zijn broek is te kort) (Kaprijks)
  39. ei èèt woeter in zèè keljer (=zijn broek is te kort) (Hals)
  40. Ein kort gebed en ein lange braodwors dene de reizende mins (=bij grote ondernemingen kan men zich beter op het essentiële richten) (Venloos)
  41. eit wauter in zenne kelder (=zijn broek is te kort) (Opwijks)
  42. èn zën eege vieët sjieëte (=zichzelf te kort doen) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. Er sta water in zoune kelder (=Zijn broek is te kort) (Mechels (BE))
  44. et nimei lang trèkke (=kort leven, lang dood) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. g'ét wooter in aave kelder (=je broekspijpen zijn te kort) (leuvens)
  46. Goa et woater in a kelder zeker (=Uw broek is te kort) (Bornems)
  47. hae hèt wotter ènne kaller (=zijn broek is te kort) (Bilzers)
  48. hae kraajg ët heet aoën zë k..tje (=ze zitte kort op zijn hielen (fig)) (Munsterbilzen - Minsters)
  49. hè hèt mer ei kort loentshe (=heetgebakend) (Opglabbeeks)
  50. heehef 't hemd kort veur de boks, bokse zitten. (=Hij is snel boos) (Twents)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen