Spreekwoorden met `kinderen`

Zoek

8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kinderen`

  1. bakkerskinderen eten oud brood. (=aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  2. de dood kent geen lieve kinderen (=ieder moet sterven)
  3. eerst oompje en dan oompjes kinderen (=eerst ik, daarna de anderen)
  4. je kinderen in het wild laten opgroeien (=zijn kinderen geen (of een slechte) opvoeding geven)
  5. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  6. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  7. kinderen en dronkaards spreken de waarheid (=ze zeggen wat ze vinden, ze zijn ongeremd)
  8. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)

22 betekenissen bevatten `kinderen`

  1. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  2. de bastaard van de graaf wordt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  3. als het hek van de dam is lopen de varkens in het koren (=als er geen toezicht is springen kinderen of ondergeschikten uit de band)
  4. geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=behandel kinderen niet als grote mensen)
  5. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  6. de jongste schepen wijst het vonnis (=de kinderen willen het het best weten)
  7. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  8. zijn eigen luizen bijten hem (=hij wordt gekweld door zijn eigen kinderen)
  9. het dunkt elke uil dat zijn jong een valke is. (=iedereen is trots op zijn kinderen)
  10. men kan zijn kinders wel minnen maar niet zinnen (=je kan je kinderen graag zien, maar ze hebben een eigen aard)
  11. kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  12. een speld heeft ook een kop. (=kinderen doen het liefst wat ze zelf willen)
  13. zo vader, zo zoon (of: Zo moeder, zo dochter) (=kinderen erven de eigenschappen van hun ouders)
  14. jong bier moet gisten (=kinderen hebben recht op plezier)
  15. de appel smaakt bomig. (=kinderen lijken op hun ouders.)
  16. de appel valt niet ver van de stam/boom (=kinderen lijken vaak op de ouders)
  17. aan een klein vogeltje past geen grote bek. (=kinderen moeten gehoorzamen)
  18. het ei wil wijzer zijn dan de kip (=kinderen willen wijzer zijn dan de ouders)
  19. zoals de vos steelt, steelt ook het vosje. (=valse ouders hebben valse kinderen.)
  20. ook de beste boom geeft slechte vruchten (=zelfs goede ouders kunnen kinderen hebben die het verkeerde pad inslaan.)
  21. je eigen vlees of bloed (=zijn eigen familie (kinderen))
  22. je kinderen in het wild laten opgroeien (=zijn kinderen geen (of een slechte) opvoeding geven)

50 dialectgezegden bevatten `kinderen`

  1. (zich) kèinjer aansjaffe (=kinderen krijgen) (Steins)
  2. `je mot zeker weer iets van me hè / wat mojje nu weer van me? ) *ironisch bedoeld als iemand een beetje slijmt (vaak kinderen die dat doen richting een moeder) (=`je wilt zeker weer iets van mij ` (ironisch als iemand slijmt)) (Utrechts)
  3. 'n kôw lektj gein vreemdje kaover (=als iemand voor de 2e keer trouwt en er al kinderen zijn) (Weerts)
  4. 't goa nog schriëmm va komn (=wanneer kinderen teveel plezier maken) (Kaprijks)
  5. 't gurravot van de kinderen (=het geluid van spelende kinderen) (Sint-Niklaas)
  6. 'Tzegenentbewoardou (=avondkruishe (Rooms katholiek) op voorhoofd kinderen) (Zottegems)
  7. ‘t sa nog schrieëmn van komn (=overdreven pret van kinderen) (Kaprijks)
  8. a god op in zè zoeëd (=vrijgezel, geen kinderen) (Meers)
  9. a me grotmoeder wielen hed, wasze nen otokar (=grootmoeder met veel kinderen) (Brugs)
  10. a zitj op'n oeven (=als laatste van de kinderen ongehuwd blijven) (Ninoofs)
  11. A'j de koe niet kende, zo'j nie:t wette, woor 't kalf vandaan kump (=kinderen die helemaal niet op hun ouders lijken) (Barghs)
  12. aa pette emme (=een woedeaanval bij kleine kinderen) (Kortenbergs)
  13. achter oens piese ze der putses mee (=na ons dood doen de kinderen ons geld op) (Gents)
  14. As de kinderen kleinen zijn terten z' op ou tienen, as ze gruêt zijn op ou erte (=Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen) (Lokers)
  15. as de wichter groeët zeen, doon ze de aojers nao béd (=als ouders geen vat meer op de kinderen hebben) (Weerts)
  16. as de wichter groeët zeen, doon zeuj de aojers nao béd (=kinderen zorgen later voor hun ouders) (Weerts)
  17. As groete minse kalle, moete de kènner zwijge. (=Als grote mensen praten, moeten de kinderen zwijgen.) (Genker)
  18. aste gaazë watter zien, hëbbe ze dos (=als kinderen iets zien, willen ze dat ook onmiddellijk hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. aste gaaze watter zien, hëbbe ze dos (=als kinderen een drankje zien, moeten ze al drinken) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. aste jing sjiks, kraajgste jing taus (=je moet niet teveel verwachten van kinderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. aste kénder sjiks, kraai (g) ste kénder taus (=kinderen blijven kinderen) (Bilzers)
  22. aste kénder sjiks, kraaj (g) ste kender taus (=kinderen zijn nog altijd kinderen) (Bilzers)
  23. aste kènder sjiks, kraajgste kènder taus (=laat belangrijke zaken nooit over aan kinderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. attet garnezoen jing op haus aofkump esset nen heile opstand (=het is een hele bedoening als alle kinderen tegelijk naar huis komen) (Bilzers)
  25. aut te kleen zin (=geen kleine kinderen meer hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. Beste keuje uut stal (=Leukste van alle kinderen) (Wijchens)
  27. binne we lyke oud? of 'hewwe wij samen op skoal seten'? (=zijn we even oud? (tegen kinderen die niet met twee woorden spreken) ) (Leewarders)
  28. Blôte gatte (=Prepuberale kinderen ontdekken elkaars lichaam door ontb. loten van intieme lichaamsdelen, , doktertje spelen) (Volendams)
  29. d r zitte duive op ut dak (=kinderen die stiekem zitten mee te luisteren) (Oudenbosch)
  30. da woaf mè eur soot (=die vrouw met haar kinderen) (Willebroeks)
  31. da zè woaterratten (=kinderen die veel en graag zwemmen) (Sint-Niklaas)
  32. daaj jing fraete de panne van het daok (=die kinderen hebben altijd honger) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. dae hètze graut gekoch (=die heeft al grote kinderen) (Bilzers)
  34. dan gaode naar Jantje Worst dieee un hondje en dat piest oe in oew mondje (=dorstige kinderen die om drinken vragen) (Oudenbosch)
  35. das mich ammël get, zaag oos Bet, en zo hô twei jing aoën één T.t (=nu heb ik wat aan de hand, zei Bet, nu hangen er 2 kinderen aan 1 T.t) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. dat geet nimei, ët mesjien ès këpot (=wij kunnen geen kinderen meer krijgen) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. dat oos kènner rijke aaërs moehge hèmme! (=Dat onze kinderen rijke ouders mogen hebben!) (Genker)
  38. De bern fan myn suster binne lomkoalen (=De kinderen van mijn zuster zijn sufferds) (Fries)
  39. de bróm opdreie (=kinderen kietelen op de onderrug) (Heitsers)
  40. de hëbs al hënnêge kender (=je hebt al grote kinderen) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. De huirtuitse brekke kome de bouwelse beirege aflekke (=de herenthoutse kinderen komen spelen op de Bouwelse bergen) (Grobbendonks)
  42. de huus drienku mee tu puukn uut de dulvu (=de kinderen drinken met de kikkers uit de sloot) (Zeeuws)
  43. De huus hooj mi kluuten nae de puuten in dn dulve. (=De kinderen gooien met kluiten naar de kikkers in de sloot.) (Zeeuws)
  44. de huust bin noha druuzug (=drukke kinderen) (Zeeuws)
  45. de jong (=de kinderen) (Geldermalsens)
  46. de kènder lièpen toch te blaffe (=de kinderen waren toch aan het hoesten) (Kaatsheuvels)
  47. De kènjer tagke zich (=De kinderen kibbelen) (Gelaens (Geleens))
  48. De kiender goed onderstuur em-m (=De kinderen luisteren goed) (Giethoorns)
  49. de kiener benn'n toe huus uut (=de kinderen wonen niet meer thuis) (Westerkwartiers)
  50. de kiener woon' n op loopoafstand (=de kinderen wonen lekker dichtbij) (Westerkwartiers)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen