Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tuin`

  1. de kap op de tuin werpen (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
  2. iemand om de tuin leiden (=iemand beetnemen of bedriegen)
  3. in zijn knollentuin zijn (=het naar de zin hebben)
  4. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)

3 betekenissen bevatten `tuin`

  1. dat is een klontje boter uit zijn pap (=dat kost een flink deel van zijn fortuin)
  2. aan lager wal geraken (=fortuin verliezen; arm en berooid worden)
  3. zijn schip is binnen (=hij heeft zijn fortuin gemaakt)

Het dialectenwoordenboek kent 22 spreekwoorden met `tuin`

  1. Waregems: tramplen mee de voetn (=losse aarde aanstampen (tuinieren))
  2. Tilburgs: un höske meej un bojèmke (=huisje met een tuintje)
  3. Westlands: roomse bonen en gereformeerd spek (=tuinbonen met spek)
  4. Amsterdams: tuintje op je buik hebben (=dood zijn)
  5. Munsterbilzen - Minsters: hae loet zich zene keis van tèsse zen snieë pikke (=de tuinier liet het gras van onder zijn voeten maaien)
  6. Walshoutems: teige het peenke van de weremeshof stië enne makrauwzeleejr en dauwe zit ∂ pavj∂ll∂k∂ oep (=Naast het tuinpad staat een seringenboom en daar zit een lieveheerbeestje op)
  7. Veurns: te pissen leen (=om de tuin leiden)
  8. Sint-Niklaas: 't vuil weg doen in den of (=onkruid verwijderen in de tuin)
  9. Tilburgs: zènnen hòf waar niks as rögt (=zijn tuin was niets dan onkruid)
  10. Liwwadders: un Liwwadder gaat foor skunen naar Steeman op 'e Tunen (=een Leeuwarder gaat voor schoenen naar Steeman op de tuinen)
  11. Westerkwartiers: kiener speul'n ien 'e tuun (=de kinderen spelen in de tuin)
  12. Slands: Vorse spinahzie ut de tun (=Verse spinazie uit de tuin)
  13. Leeds: van ensj tenenje (=over de ganse lengte (van vb een stuk land, een tuin)
  14. Tilburgs: Gao tijne den hof de reif us haole (=Ga achter in de tuin de hark eens halen)
  15. Munsterbilzen - Minsters: de kons zene villo ter tiëge zètte (=grote planten in de tuin hebben)
  16. Haags: Hij hep un tuin op z'n buik (=Hij is dood)
  17. Munsterbilzen - Minsters: den traajn oppet verkeirde spoeër zètte (=een hovenier om de tuin leiden)
  18. Munsterbilzen - Minsters: ze hochten um mét zene sjarel gepak (=de hovenier werd om de tuin geleid)
  19. Walshoutems: Baloene pakke in de wermeshof onder de makrauseleer (=Meikevers vangen in de tuin onder de seringenboom)
  20. Leids: Hij heb een tuin op ze buik (=Hij is overleden)
  21. Antwerps: Allee, mettez vite vos chandailles, springt oep oven ijzere peerd, en moakt nog nen tour du jardin ! (=Trek vlug jullie pulletjes aan, neem jullie fiets en maak nog eens de ronde van de tuin.)
  22. Liemers: Achter in de tuin lei-j meneer de Bruin hi-j had gin botte en gin vel en toch rookte hi-j wel. (=Hoop stront achter in de hof. (vers))

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen