Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

15 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kennen`

  1. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  2. de kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
  3. geen a voor een b kennen (=erg dom zijn)
  4. het klappen van de zweep kennen (=precies weten hoe het eraan toegaat, ervaren zijn)
  5. het verschil tussen mijn en dijn niet kennen (=stelen)
  6. iemand van haver tot gort kennen (=iemands persoonlijkheid helemaal kennen)
  7. in nood leert men zijn vrienden kennen (=wanneer men in de problemen zit wordt duidelijk welke vrienden daadwerkelijk iets voor je willen betekenen)
  8. kleur bekennen (=voor zijn standpunt uit moeten komen)
  9. men moet straten voor stegen kennen (=men moet weten tot wie men zich wendt)
  10. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  11. op zijn duimpje kennen (=heel goed kennen, van buiten weten)
  12. te kennen geven (=laten verstaan)
  13. zich laten kennen (=het (al te vroeg) opgeven)
  14. zich niet laten kennen (=het niet te vlug opgeven)
  15. zijn pappenheimers kennen (=weten met wie men te maken heeft)

21 betekenissen bevatten `kennen`

  1. Van de os op de ezel springen (=1: Slechte zaken doen. 2: Tegenspoed kennen)
  2. ziende blind zijn (=bijvoorbeeld iemand wel kennen maar toch niet de verkeerde eigenschappen zien)
  3. de kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
  4. heg noch steg weten (=ergens de omgeving totaal niet kennen)
  5. ergens heg noch steg weten (=ergens de weg niet kennen)
  6. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  7. geen hart in het lijf hebben (=geen greintje medelijden kennen)
  8. op zijn duimpje kennen (=heel goed kennen, van buiten weten)
  9. hoe een dubbeltje rollen kan (=hoe iets een onverwacht verloop kan kennen)
  10. een zak zout met iemand gegeten hebben (=iemand al lang kennen)
  11. in zijn zak hebben (=iemand goed kennen, iets helemaal begrijpen, iets voor elkaar hebben)
  12. iemand van haver tot gort kennen (=iemands persoonlijkheid helemaal kennen)
  13. van Lillo komen (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te Waarde in 1579)
  14. zelfkennis is het begin van alle wijsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)
  15. Wat de boer niet kent, dat eet hij niet. (=Mensen houden niet van (zijn bang voor) wat ze niet kennen.)
  16. van een bruiloft komt een bruiloft (=op een bruiloft kunnen twee mensen elkaar leren kennen die dan weer gaan trouwen)
  17. op het zondaarsbankje zitten (=schuld bekennen)
  18. koffiedik kijken (=trachten het onbekende te kennen (de toekomst))
  19. de vlag voor iemand strijken (=voor iemand onderdoen, zijn meerdere erkennen)
  20. het achterste van je tong (niet) laten zien (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen)
  21. geen knip voor de neus waard zijn (=zijn vak niet kennen en er geen verstand van hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 12 spreekwoorden met `kennen`

  1. Sint-Niklaas: iemand kennen van oanziens (=iemand kennen van vroeger)
  2. Mestreechs: kinne, kin, kinde, gekind (=kennen, ken, kende, gekend)
  3. Westerkwartiers: ik ken dat soort grapkes (=kennen - ik ken dat soort grapjes)
  4. Susters: doa besjut er zich veur (=hij laat zich kennen)
  5. Amsterdams: ze kenne mijn (=ze kennen me)
  6. Munsterbilzen - Minsters: érmzin hebbe (=geen goesting hebben -een inzinking kennen)
  7. Sittards: Get ram van boete kènne (=Iets uit het hoofd kennen)
  8. Valkenswaards: Het ins kennen worre (=Het eens kunnen worden)
  9. Gents: den droai en de kier kennen (=ingewerkt zijn)
  10. Oudenbosch: gaode gij oew plaote mar ergus aanders afspeule (=dat liedje van verlangen kennen we)
  11. Flakkees: je leerd nooit een krepelen kenne voort gasthuus brand. (=je leerd geen kreupele kennen voor het ziekenhuis in brand staat)
  12. Kinrooi: Eigelik kinne wae 't gelök allein mer es 't veurbiej is! (=Eigenlijk kennen wij het geluk alleen maar wanneer het voorbij is!)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen