Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


17 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `alles`

  1. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  2. alles komt uit al moesten de kraaien het uitbrengen (=de waarheid komt altijd uit)
  3. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  4. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  5. alles op alles zetten (=zich tot het uiterste inspannen om iets te bereiken)
  6. alles op één kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  7. alles op haren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het werk stellen)
  8. alles op het spel zetten (=alles inzetten en mogelijk alles verliezen)
  9. alles over de vloer halen (=alles verplaatsen)
  10. alles over een kam scheren (=alles en iedereen gelijk stellen)
  11. alles wat los en vast is/zit (=alles)
  12. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  13. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  14. Die zijn pap gemorst heeft kan niet alles weer oprapen (=Schade kan nooit geheel worden goedgemaakt)
  15. Hij jaagt alles door het halsgat. (=Hij maakt alles op aan eten en drinken.)
  16. Je mag wel alles eten, maar niet alles weten. (=Ik hoef je niet alles te vertellen.)
  17. weet wat je zegt, maar zeg niet alles wat je weet (=wees voorzichtig met woorden en je informatie)

100 betekenissen bevatten `alles`

  1. naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doen wat iemand vraagt)
  2. De kruik gaat zolang te water tot zij barst (=1: alles heeft zijn beperkingen. 2: De onvoorzichtige die niet naar goede raad wil luisteren ondervindt daarvan vroeg of laat de gevolgen)
  3. Het varken is door de buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: alles is doorgestoken kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  4. er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
  5. je hart uitstorten (=aan iemand alles (in vertrouwen) vertellen)
  6. zijn ziel en zaligheid verkopen (=absoluut alles opofferen)
  7. alles op haren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het werk stellen)
  8. voor Sinterklaas spelen (=alle wensen vervullen, alles voor iedereen betalen)
  9. alles wat los en vast is/zit (=alles)
  10. niets afslaan behalve vliegen (=alles aannemen)
  11. bij de roes (=alles door elkaar)
  12. alles over een kam scheren (=alles en iedereen gelijk stellen)
  13. het loopt op rolletjes (=alles gaat als vanzelf)
  14. botertje aan de boom zijn / het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  15. ogen van achteren en van voren hebben (=alles goed in de gaten houden)
  16. zijn ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
  17. alle tij heeft zijn weertij (=alles heeft een keerzijde)
  18. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=alles heeft een reden, ook al is die niet altijd even duidelijk)
  19. alles op het spel zetten (=alles inzetten en mogelijk alles verliezen)
  20. er is niets nieuws onder de zon (=alles is al eerder vertoond)
  21. boven water zijn (=alles is bekend geworden of is teruggevonden)
  22. in kannen en kruiken zijn (=alles is geregeld)
  23. de kust is veilig (=alles is in orde - er is niemand in de buurt)
  24. voor niets gaat de zon op (=alles kost geld en/of moeite)
  25. zo vrij als een vogeltje in de lucht (=alles kunnen doen en laten wat iemand wil)
  26. we gaan geen ijsje eten (=alles mislukt)
  27. tot in de puntjes regelen (=alles nauwkeurig regelen)
  28. de bramzeilen bijzetten (=alles op alles zetten)
  29. men moet geen paaseieren op goede vrijdag eten (=alles op zijn tijd, het feest niet te vroeg vieren)
  30. long en lever verteren (=alles opmaken)
  31. de volle laag krijgen (=alles over zich heen krijgen)
  32. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  33. een oude rot in het vak (zijn) (=alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen)
  34. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
  35. iemand om zijn vinger (kunnen) winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
  36. alles over de vloer halen (=alles verplaatsen)
  37. geen ding betert door ouderdom (=alles verslijt door de ouderdom)
  38. zijn hebben en houwen verliezen (=alles wat iemand bezit kwijtraken)
  39. have en goed (verliezen) (=alles wat je hebt (verliezen))
  40. zich uitkleden voor men naar bed gaat (=alles weggeven voor men sterft)
  41. overdag hebben waar men 's nachts van droomt (=alles zomaar in de schoot geworpen krijgen)
  42. als `t schip zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
  43. ouderdom komt met gebreken (=als je ouder wordt ga je van alles mankeren)
  44. honger maakt rauwe bonen zoet (=als men honger heeft, smaakt alles)
  45. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  46. Heeft de duivel 't paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  47. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  48. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  49. als een spin in het web (=de persoon of organisatie waar alles om draait)
  50. de wrijfpaal zijn (=de schuld krijgen (van alles))

Het dialectenwoordenboek kent 307 spreekwoorden met `alles`

  1. Westerkwartiers: da's 'n duuz'ndpoot (=dat is een alleskunner)
  2. Zelzaats: alles goe in wel (=alles in orde)
  3. Westerkwartiers: alles op hoar'n en snoar'n zett'n (=alles op alles zetten)
  4. Gents: verkieskassen, vertoereloeten (=alles opeten)
  5. Kortrijks: kop over klwotn (=alles overhoop)
  6. West-Vlaams: alles goed , oallemolle goed ( iepers ) (=alles goed)
  7. Schevenings: alles zûver! (=alles goed! 3.)
  8. Sint-Niklaas: alles opfretten (=alles ongegeneerd opeten)
  9. Bilzers: e goed vèërke frit alles (=die lust alles)
  10. Drents: goed te passe (=alles goed)
  11. Vechtdals: goettepasse? (=alles goed?)
  12. Maldegems: Fiete is gekleed (=alles is klaar)
  13. Westerkwartiers: alles deur 'n anner hen (=alles door elkaar heen)
  14. Sint-Niklaas: alles sloag tegen (=alles gaat tegen)
  15. Schevenings: alles wel an boord! (=alles goed! 1.)
  16. Ransts: dië sloogt alles in zaane goemmer (=iemand die alles eet)
  17. Munsterbilzen - Minsters: alles wènt behaave tiëgewent (=niet alles went)
  18. Bilzers: daaj sjaart alles bénne (=ze vergaart alles)
  19. Westerkwartiers: alles ien 't honnerd joag'n (=alles in de war sturen)
  20. Sint-Niklaas: die kan over alles meeklappen (=die kan over alles meepraten)
  21. Sint-Niklaas: ei was alles ont bijeenkletsen (=hij goot alles bij bij elkaar)
  22. Westerkwartiers: ze hemm'm alles deur 'n anner hutselt (=ze hebben alles doorelkaar gesmeten)
  23. Munsterbilzen - Minsters: zen sjiëpe aater zich verbranne (=alles achterlaten)
  24. Ledegems, Kappels: wistekapeele (=alles door elkaar)
  25. Boakels: den hill Pil(FOUT) (=alles en iedereen)
  26. Munsterbilzen - Minsters: zen ooge goed de kos gaeve (=alles goed bestuderen)
  27. Munsterbilzen - Minsters: zen ooge goed de kos gaeve (=alles goed bezien)
  28. Genneps: Niks afslaon as vlie.ge (=alles kunnen gebruiken)
  29. Munsterbilzen - Minsters: ich hüb gee klaoge (=alles loopt gesmeerd)
  30. Moorsel: me giejl den battaklang (=alles tesamen)
  31. Bilzers: tlüp waajen klok (=alles verloopt gesmeerd)
  32. Sint-Niklaas: batteklang (=alles wat overschiet)
  33. Zeeuws: ie lust van tie-le bie-esje (=hij lust alles)
  34. Bilzers: nau moettet ploje of braeke (=nu is het alles of niets)
  35. Veurns: kleeëne potjes èn grooët’ ooër’n (=kinderen horen alles)
  36. Oudenbosch: alles op aore en snaore zette (=alles doen om te bewerkstelligen)
  37. Westerkwartiers: alles op één koart zett'n (=alles op één ding inzetten)
  38. Baasrode: van alles is kiekere stront (=antwoord op `van alles` in een zin)
  39. Westerkwartiers: hest alles op 'n riegje ? (=heb je alles voorelkaar ?)
  40. Sint-Niklaas: taal mor alles toûp (=tel maar alles samen op)
  41. Brugs: ist ol? (=is dit alles?)
  42. Zelzaats: Al mee al (=alles bijeen genomen, alles wel beschouwd)
  43. Sint-Niklaas: geel den annekkusnest (=alles of alles wat er overschiet)
  44. Waregems: roezepetoeze (=alles door elkaar (oprapen,stapelen))
  45. Lochristis: 't ligt oiup overul (=alles ligt overhoop)
  46. Munsterbilzen - Minsters: zenen troeëg liëg aete (=alles opeten)
  47. Westerkwartiers: per slöt van reek'n (=alles overwogen hebbend)
  48. Antwerps: t'is koekenaai (=alles valt binnen de plooien)
  49. Genneps: kat en kogel verzuupe (=alles verdrinken)
  50. Bilzers: tés gene gemaekelëke (=die slikt niet alles)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen