Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

34 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `rand`

  1. aan de rand van het graf staan (=bijna dood zijn)
  2. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  3. als een blad van een boom veranderen/omkeren (=geheel anders gaan gedragen)
  4. as is verbrande turf (=aan een belofte (as = als) heb je niets)
  5. bang zijn zich aan koud water te branden (=erg voorzichtig zijn)
  6. beter hard geblazen dan de mond gebrand (=het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid iets fout gaat)
  7. branden als een (tiere)lier (=een heel erg hevige brand)
  8. branden als een fakkel (=zeer fel branden)
  9. brandende kwestie (=een dringende, actuele zaak)
  10. de schepen achter zich verbranden (=een beslissing nemen en niet meer terug kunnen)
  11. dominee brand je bekje niet (=pas op! Het eten of de drank is heet!)
  12. Een kaars voor de duivel branden (=Bij iedereen slijmen)
  13. een schip op het strand is een baken in zee (=van de fouten die anderen hebben gemaakt kun je zelf veel leren)
  14. ergens op gebrand zijn (=iets heel erg fijn vinden en er naar streven)
  15. gauw aangebrand zijn (=gauw geïrrteerd zijn)
  16. Geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=Behandel kinderen niet als grote mensen)
  17. het geld brandt hem in de zak (=hij geeft zijn geld graag en gemakkelijk uit)
  18. Hij geeft er niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=Hij doet overal voordeel mee, ongeacht de gevolgen voor anderen)
  19. iemand uit de brand helpen (=iemand uit de nood helpen)
  20. kijken of men water ziet branden (=heel erg verbaasd kijken)
  21. moord en brand schreeuwen (=uiterst verontwaardigd zijn)
  22. niet brandschoon zijn (=dingen misdaan hebben)
  23. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  24. pimpelpaars met een goud randje (=met ondefinieerbare kleur)
  25. rouwranden aan zijn nagels hebben (=zwarte randjes onder vingernagels hebben)
  26. te veel vuur in een stoof doet ze branden (=te veel is schadelijk)
  27. uit de brand zijn (=geholpen zijn, problemen opgelost)
  28. van de hoed en de rand weten (=volledig geïnformeerd zijn)
  29. verandering van spijs doet eten (=eens iets anders te doen doet de mens goed)
  30. wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten (=als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen))
  31. wie zijn gat brandt, moet op de blaren zitten (=wie een risico neemt, moet de gevolgen dragen)
  32. zijn kaars aan twee kanten branden (=zijn krachten of mogelijkheden al te vroeg verspillen)
  33. zijn schepen achter zich verbranden (=obstinaat doorgaan, zodanig dat men niet meer terug kan)
  34. zijn vingers aan iets branden (=zich in iets vergissen, nadeel aan iets ondervinden)

37 betekenissen bevatten `rand`

  1. in de as leggen (=(doen) afbranden)
  2. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
  3. dat is zo breed als het lang is (=dat verandert niets aan de zaak)
  4. de wind waait uit een andere hoek (=de meningen/omstandigheden zijn veranderd)
  5. de bordjes zijn verhangen (=de omstandigheden zijn veranderd)
  6. oude wijn in nieuwe zakken (=de zaken zijn anders gepresenteerd, maar niet wezenlijk veranderd)
  7. op til zijn (=dingen zijn op dit moment gaande (met name veranderingen))
  8. branden als een (tiere)lier (=een heel erg hevige brand)
  9. Een gouden zadel maakt geen ezel tot paard. (=Een mens verandert niet door uiterlijkheden)
  10. een speldje bij iets steken (=een onderwerp niet verder uitdiepen, van gespreksonderwerp veranderen)
  11. een katje krijgen (=een uitbrander krijgen)
  12. een keer nemen (=een wending nemen, veranderen)
  13. in vuur en vlam staan (=erg opgewonden zijn / hevig branden)
  14. De rook kan het hangerijzer niet deren (=Het heeft geen zin te proberen iets dat vast staat te veranderen)
  15. het kan verkeren (=het kan veranderen, de dingen blijven niet zoals ze zijn)
  16. de wolf ruit wel van baard maar niet van aard (=het karakter van de mensen verandert nooit)
  17. zoals de wind waait, waait zijn jasje (=hij gaat met de heersende mening mee of telkens van mening veranderen afhankelijk van de mensen om iemand heen)
  18. ergens je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  19. de rode haan laten kraaien (=iets in brand steken)
  20. dat wast al het water van de zee niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  21. naar de mutsaard rieken (=iets klopt zeer niet (mutsaard = brandstapel) / verdacht worden van ketterij)
  22. een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken (=mensen veranderen zelden echt)
  23. een ander liedje laten zingen (=mores leren, van gedacht doen veranderen)
  24. geen strobreed wijken (=niets toegeven of niet van mening veranderen)
  25. verkeren kunnen (=omstandigheden kunnen snel veranderen)
  26. uit de as herrijzen (=opnieuw opbouwen na een brand)
  27. oude bokken hebben stijve horens (=oude mensen hebben vaak vaste gewoontes die maar moeilijk kunnen veranderen)
  28. als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit)
  29. van de os op de ezel springen (=steeds van onderwerp veranderen)
  30. een bocht nemen (=van gedachten veranderen)
  31. zijn draai nemen (=van mening veranderen)
  32. de bakens verzetten (=van richting of ingesteldheid veranderen)
  33. aan de weg timmeren (=veel activiteiten ontplooien en daarmee naar buiten treden om verandering en vernieuwing te bewerkstelligen)
  34. vroeger, toen kraaiden de hanen nog. Tegenwoordig gapen ze alleen nog maar, zei de dove (=veranderingen in een situatie zijn vaak niet feitelijk, maar een subjectieve beleving)
  35. twaalf ambachten, dertien ongelukken (=wie telkens van beroep verandert, slaagt uiteindelijk nergens in)
  36. branden als een fakkel (=zeer fel branden)
  37. rouwranden aan zijn nagels hebben (=zwarte randjes onder vingernagels hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 11 spreekwoorden met `rand`

  1. Munsterbilzen - Minsters: kantsje bieëdsje (=op het randje af)
  2. Flakkees: Je liektnt weln zeune van dn doadgraever (=Wat heb jij vieze nagel randen?!)
  3. Waregems: ie ligt ip de wippe (=op rand van ontslag( of benoeming) staan)
  4. Oudenbosch: die is al mee naor dun bee-r gewiest (=die weet van de hoed en de rand)
  5. Waregems: rijz' an rijze/ rijzerijze (=tot de rand/ tot op zekere hoogte gevuld (minstens twee))
  6. Spakenburgs: da paarde rande van da barg aff (=de paard rende van de berg te snel)
  7. Sint-Niklaas: Beverse moat (=het glas loopt bijna over (= tot de rand gevuld))
  8. Bosch: kheb unne koekerel zien draoie op ut rendje van dun geut (=ik heb een tol zien draaien op het randje van de goot)
  9. Westfries: Al skait ie op de rand vamme bord, as't 'r maar niet in komt (=wat hij doet interesseert me geen ene zak pis)
  10. Gents: ij es mee zijn gat in de boter gevalle, moar mee zijne kinne op den rand (=denken dat iemand geluk had, maar toch niet.)
  11. Westfries: al skait ie op de rand vamme bord, ast 'r maar niet inkomt (=wat hij doet dat skilt main gien iene zak pis)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen