Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


186 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `han`

  1. aan de beterende hand zijn (=langzaam genezen, herstellen)
  2. aan de beterhand (=genezend, herstellend)
  3. aan de grote klok hangen (=algemeen bekend maken)
  4. aan de hand doen (=bezorgen)
  5. aan de hand van (=door middel van)
  6. aan de klok(reep) hangen (=algemeen bekend maken)
  7. aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
  8. aan de lus hangen (=recht blijven staan in tram of bus)
  9. aan de middelhand zitten (=niet eerst of laatst moeten spelen)
  10. aan de pan blijven hangen/kleven (=zich om bestwil ergens mee bemoeien maar er slecht afkomen)
  11. aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
  12. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  13. aan de voorhand zijn/zitten (=voorrang hebben)
  14. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  15. aan elkaar hangen als droog zand (=geen enkele samenhang vertonen)
  16. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  17. aan het klokzeel hangen (=bekend maken)
  18. aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
  19. aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in raken, ermee bezig blijven)
  20. aan zijn eerste leugen niet gebarsten en voor zijn tweede niet opgehangen zijn (=een grote leugenaar zijn)
  21. aan zijn neus hangen (=hem inlichten)
  22. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  23. als hamerstuk behandelen (=het voorstel zonder discussie aannemen.)
  24. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  25. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen. (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd.)
  26. als los zand aan elkaar hangen (=zonder enige samenhang)
  27. barbertje moet hangen (=ongeacht of iemand schuldig is moet die gestraft worden)
  28. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  29. beurs op de knip / hand op de knip (=geen geld (meer) uitgeven.)
  30. boven het hoofd hangen (=te wachten staan)
  31. daar durft hij zijn hand voor in het vuur te steken. (=ergens heilig van overtuigd zijn.)
  32. dat is een kolfje naar zijn hand (=dat kan hij wel aan)
  33. de beest spelen/uithangen (=zich onbeschoft gedragen)
  34. de bordjes zijn verhangen (=de omstandigheden zijn veranderd)
  35. de bovenhand krijgen. (=winnen, zegevieren.)
  36. de druiven hangen te hoog (=van iets dat men niet krijgen kan, zeggen dat men het niet wil)
  37. de fiets aan de haak hangen. (=stoppen met wielrennen.)
  38. de gebraden haan uithangen (=op onverantwoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker eten en drinken)
  39. de hand aan de ploeg slaan. (=flink aan het werk gaan)
  40. de hand aan zichzelf slaan (=zelfmoord plegen)
  41. de hand boven het hoofd houden (=beschermen)
  42. de hand in eigen boezem steken (=zijn eigen fout inzien)
  43. de hand lenen tot (=helpen)
  44. de hand met iets lichten (=niet scherp opletten, het niet te streng nemen)
  45. de hand op de knip houden. (=zuinig zijn.)
  46. de hand op iets leggen (=ergens aan kunnen komen)
  47. de hand over zijn hart strijken (=)
  48. de hand reiken (=vergiffenis schenken)
  49. de handen dicht mogen knijpen. (=van geluk mogen spreken.)
  50. de handen in de schoot (=werkloos)

75 betekenissen bevatten `han`

  1. aan de knikker (=aan de hand)
  2. wie appelen vaart, die appelen eet. (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van.)
  3. goed voorbeeld doet goed volgen. (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  4. goed voorgaan doet goed volgen. (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  5. dat is een echte haai (=assertief en bijdehand mens)
  6. beter blooie Piet dan dooie Piet. (=beter een aarzelend iemand dan iemand die ondoordacht handelt.)
  7. dat is een bal voor open doel. (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden.)
  8. dat maakt van Jezus nog een ketter (=dat is zelfs bij de meest integer mens een schanddaad)
  9. iemand de manchetten aandoen (=de handboeien aandoen)
  10. zijn trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek))
  11. aan de bel trekken. (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt.)
  12. het juiste midden vinden (=een goed evenwicht vinden tussen twee tegengestelde aanpakken. Bijvoorbeeld, als het er om gaat hoeveel bevoegdheden de politie moet hebben om de rechtsstaat te handhaven.)
  13. een slimme vogel (=een handig persoon met overal een oplossing voor)
  14. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf. (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken.)
  15. een echte Hannes (=een onhandig persoon)
  16. een gat in de lucht slaan. (=een onnozele handeling doen.)
  17. wet van Meden en Perzen (=een onwrikbare gewoonte, die altijd gevolgd wordt / Een samenhang die zich altijd voordoet.)
  18. er is geen vuiltje aan de lucht (=er is niets aan de hand)
  19. de stok staat achter de deur (=er wordt een bedreiging achter de hand gehouden)
  20. van zessen klaar (=erg handig zijn en van aanpakken weten)
  21. met twee linkerhanden geboren zijn (=erg onhandig zijn)
  22. de wijsheid in pacht hebben (=erg verstandig zijn of althans doen alsof)
  23. ergens als kind in huis zijn (=ergens bekend of goed behandeld worden)
  24. aan elkaar hangen als droog zand (=geen enkele samenhang vertonen)
  25. zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)
  26. in koelen bloede iets doen (=geheel kalm en rustig iets doen, alsof er niets aan de hand is)
  27. gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
  28. zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet. (=handel voorzichtig, dan mislukt het niet.)
  29. het is bij de (wilde) beesten af. (=het is verschrikkelijk; het is schandalig.)
  30. zijn laatste troef uitspelen (=het laatste wat iemand achter de hand had naar buiten brengen)
  31. zoals de wind waait, waait zijn jasje. (=hij gaat met de heersende mening mee of telkens van mening veranderen afhankelijk van de mensen om iemand heen)
  32. hij gedraagt zich als een baars (=hij is zeer onhandig)
  33. de dorsende os zult gij niet muilbanden. (=iemand die voor je werkt moet je goed behandelen)
  34. iemand onder handen nemen (=iemand flink aanpakken / mishandelen)
  35. iemand een loer draaien (=iemand lelijk behandelen, lelijk te grazen nemen)
  36. iemand achter de bank schuiven (=iemand minachtend behandelen)
  37. iemand de kroon van het hoofd nemen (=iemand te schande maken)
  38. ergens slag van hebben (=iets handig kunnen doen)
  39. iets aan de knikker zijn (=iets niet in orde of aan de hand zijn)
  40. kunnen zakken en verkopen (=in handigheid ver overtreffen)
  41. het is een slechte muis die maar een hol heeft (=je doet er best aan een alternatieve oplossing achter de hand te hebben)
  42. wie tapt die moet boren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
  43. dieven met dieven vangen (=mensen die niet eerlijk zijn of gemeen, moet je op dezelfde manier ook behandelen)
  44. de egards (tegenover iemand) in acht nemen (=met de nodige beleefdheid behandelen)
  45. de violen stemmen (=met elkaar onderhandelen, naar compromissen zoeken)
  46. met de nek aanzien (=met minachting behandelen)
  47. naar zijn hand zetten (=naar zijn wil doen verlopen of handelen)
  48. alle vis is geen bakvis (=niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
  49. geen wolkje aan de lucht (=niets aan de hand - alles is prima in orde)
  50. geen vuiltje aan de lucht zijn (=niets aan de hand zijn, geen enkel probleem zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 129 spreekwoorden met `han`

  1. Veurns: nie brillik zien (=niet handelbaar zijn)
  2. Westlands: me klauwe benne vuil (=ik heb vieze hande)
  3. Roeselaars: 't is 't er één van d'een nieuwmarkt (=het is een handelaar)
  4. Diesters: hande as schoepe (=grote handen)
  5. Westerkwartiers: da's 'n hand'nbiendertje (=dat kind vraagt veel aandacht)
  6. Westerkwartiers: zien hand'n jeuk'n 'em (=hij staat te popelen)
  7. Westerkwartiers: wat bist doe 'n onnerkruber (=wat ben jij een oneerlijke handelaar)
  8. Zottegems: schietendig zijn (=vlug en ondoordacht handelen)
  9. Westerkwartiers: de hand'n uut de mouw'n steek'n (=flink aanpakken)
  10. Westerkwartiers: één noar d'oog'n zien (=handelen naar iemand's wensen)
  11. Munsterbilzen - Minsters: waajen hin opne piering vliege (=snel handelen)
  12. Munsterbilzen - Minsters: op eer loppe (=zeer voorzichtig handelen)
  13. Waregems: tes d'antoave die telt, van wantn weetn, zijne stiel kenn'n (=er handeling van hebben)
  14. Westerkwartiers: hij het zien hand'n vrede beloofd (=hij is zeer lui)
  15. Waregems: ie doe één 't vlas// één de kooln// één d'eiers (in 3 x uitgespr. als één) (=hij is handelaar in vlas// in kolen// in eieren)
  16. Westerkwartiers: hij holt 't heft ien hand'n (=hij blijft de baas)
  17. Westerkwartiers: hij het 'n putje onner hand'n (=hij is bezig met een klusje)
  18. Westerkwartiers: zij maag heur hand'n stief dicht kniep'n (=zij mag zeker van geluk spreken)
  19. Westerkwartiers: veul lopers, moar gien kopers (=veel publiek, weinig handel)
  20. Waregems: doe ol daje kuint (=handel naar best vermogen)
  21. Bargoens: een klapper maken (=je slag slaan in de handel)
  22. Ransts: wadist goodde verhoazen, want aa hande zen al ingepakt (=iemand die met zijn handen in zijn broekzakken staat)
  23. Westerkwartiers: doar zit wel meziek ien (=daar zit wel handel in)
  24. Westerkwartiers: hij zit met de hand'n ien 't hoar (=hij weet zich geen raad)
  25. Westerkwartiers: je kenn'n gien iezer met hand'n breel'n (=je kunt sommige zaken niet forceren)
  26. Waregems: ie es van zero beguin'n (=hij is met niets gestart (handel))
  27. Bilzers: de kemérs geet aateraut; bergaof; slabak (=de handel valt stil)
  28. Munsterbilzen - Minsters: aste nix pax,nix hubs (=Liever één vogel in de hand,dan geen hand)
  29. Hulsters (NL): wa schiltur (=wat is er aan de hand)
  30. Urkers: Wat is er loos (=Wat is er aan de hand)
  31. Denderleeuws: altèt aa ant owetsteken (=altijd je hand uitsteken)
  32. Bilzers: nen draeë tron gaeve (=naar zijn hand zetten)
  33. Roermonds: sjtriek mich de jat (=geef me een hand)
  34. Overmeers: nen dots gas (=een hand gras)
  35. Vechtdals: de haande doew (=de hand geven)
  36. Geuls: geine klauw oet staeke (=geen hand uitsteken)
  37. Zeeuws: de wind dr onder (=goed in de hand hebben)
  38. Sint-Niklaas: de korten steken (=speelkaarten in de hand schikken)
  39. Achterhoeks: van hand gaon (=weggaan)
  40. Overpelts: ow haand oétstéke (=je hand uitsteken)
  41. Kerkraads: veëdig in inge vóts (=klaar in een hand omdraai)
  42. Hansbeeks: Geev mij n'andzen (=Laat mij je hand vasthouden)
  43. Waregems: gieën'n droad an gebrookn (=niets aan de hand)
  44. Vechtdals: wat is't (=wat is er aan de hand)
  45. Lunters: hut is heeltonttaard (=uit de hand gelopen)
  46. tilburgs: wen tadderakken (=Ik heb slechte kaarten in de hand)
  47. Zeeuws: di lopt un streepje deur (=niet zon bij de hand persoon)
  48. Zaans: Drie vingers, pink en doim! (=Wat is er aan de hand?)
  49. Mestreechs: un akkefietsje aon de hand höbbe (=een onsmakelijk karweitje aan de hand hebben)
  50. Mestreechs: mèt han en veuj (=met handen en voeten)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen