Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `snot`

  1. er voor piet snot bij zitten (=er voor niets bijzitten)
  2. hij deed mee voor Piet snot (=hij deed mee zonder toegevoegde waarde, en zonder erkenning)
  3. snotterige veulens worden de gladste paarden. (=Kwajongens die nergens voor lijken te deugen, worden vaak flinke mannen)

Het dialectenwoordenboek kent 33 spreekwoorden met `snot`

  1. Sint-Katelijne-Waver: Vruuger hadde de kindere snotneuze, naa hemme de snotneuze kindere (=Vroeger hadden de kinderen snotneuzen,nu hebben de snotneuzen kinderen)
  2. Westerkwartiers: hol toch op te snödder'n (=snotteren - hou toch op te snotteren)
  3. Zeeuws: vroeher aan de kinders snotneuzen noe en de snotneuzen kinders (=vroeger)
  4. Weerts: Zoë greun as graas (=snotneus)
  5. Ninoofs: snottebelle (=onverzorgd meisje)
  6. Merenaars: a eentj in 't snotjen (=hij heeft het door)
  7. Mestreechs: paoling in 'nne ummer snóts (=paling in een emmer snot)
  8. Westfries: iemand op het snotje hebben (=iemand in de gaten houden)
  9. kortemarks: jeet int snotje (=hij heeft het in de smiezen)
  10. Harelbeeks: J'es snotte petat (=Hij is zeer zat)
  11. Gents: in 't snotche ein (=iets door hebben)
  12. Evergems: hazeun snottekisse da doar hangt (=zijn neus loopt)
  13. Sinttruins: das nog een snotsnaat (=een kleine persoon)
  14. Bilzers: Speet mummer ülf gif ook wotter (=Je hebt een snotbel onder je neus)
  15. Zeeuws: t is allemille snotte en kwiele (=flauw met elkaar)
  16. Tielts: ji's snotte (=hij is dronken)
  17. Aalsters: ge hetj licht op (=je hebt een snottebel aan je neus hangen)
  18. Genneps: 'n snotkuuke zien (=als kind niet meetellen)
  19. Waanroods: het snot (=verkouden zijn)
  20. Texels: Ik hèèuw je in 't snotje (=Ik heb je wel door)
  21. Westfries: wat het jai int snotje? (=wat was jij van plan?)
  22. Bilzers: ich zoeter vür aeveviël bij (=Ik zat erbij als Piet snot)
  23. Gents: ge zit doar gelaak nen uil op ne kluit (=erbij zitten voor Piet snot)
  24. Zwevegems: 'k Stone kik doa mee min klètuoren (=Ik stond daar voor piet snot.)
  25. Munsterbilzen - Minsters: snotbel, de kumps pas kieke (=babietje !)
  26. Munsterbilzen - Minsters: ter as piet snot bijston (=overbodig zijn)
  27. Veurns: snot en kwiel kriesch'n (=Veel en hard wenen)
  28. Weerts: hae zitj d'r as eine vöraevevöl beej (=hij zit er voor Piet snot bij)
  29. Arendonks: d'r vur piejt snot bèh stoan (=doelloos staan)
  30. Veurns: snot en kwiel kriesjch'n (=bittere tranen wenen)
  31. Horster: snot tusse de batse klatse (=zaad in de bilspleet deponeren)
  32. Brugs: énen vo piet snot zetten (=iemand een loer draaien)
  33. Munsterbilzen - Minsters: Raech èn mene kaozjee sjaar ich mich n snotvalleng op (=ik ben ferm verkouden, nu dat ik juist vakantie heb)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen