Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


10 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `gelijk`

  1. 't Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest)
  2. appels met peren vergelijken (=twee totaal verschillende dingen vergelijken)
  3. er is meer gelijk dan eigen gelijk (=de mening van anderen telt ook)
  4. gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
  5. hij heeft het gelijk van de vismarkt (=iemand die (altijd) probeert men een grote mond zijn gelijk te krijgen)
  6. in geen twee sloten tegelijk lopen (=voorzichtig zijn en op zichzelf kunnen passen)
  7. in het ongelijk stellen (=ongelijk geven)
  8. met de grond gelijk maken (=totaal vernietigen)
  9. met gelijke munt betalen (=hetzelfde kwaad terugdoen)
  10. Ongelijke paarden trekken kwalijk. (=Mensen die teveel verschillen in kwaliteiten, werken vaak niet goed samen)

86 betekenissen bevatten `gelijk`

  1. al zijn patronen verschieten (=alle mogelijkheden uitproberen)
  2. alles over een kam scheren (=alles en iedereen gelijk stellen)
  3. alles op het spel zetten (=alles inzetten en mogelijk alles verliezen)
  4. bij nacht zijn alle katjes grauw en alle mondjes even nauw (=als het erop aankomt zijn we allen gelijk)
  5. hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
  6. met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  7. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  8. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  9. primus inter pares (=de beste onder zijns gelijken)
  10. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  11. mastiek maken (=de dagelijkse schoonmaak verrichten)
  12. in de tredmolen lopen (=de dagelijkse sleur volgen - zich onderwerpen)
  13. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  14. met zijn talenten woekeren (=de persoonlijke mogelijkheden/gaven goed gebruiken)
  15. wiens brood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  16. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  17. haast je langzaam (=doe het zo snel mogelijk, maar niet sneller (uit het Latijn: Festina lente))
  18. zich achter de oren krabben (=door een onverwachte, zorgelijke ontwikkeling tot nadenken gestemd zijn)
  19. de gekken krijgen de kaart (=dwaze en onverstandige mensen krijgen hun gelijk of ze dat hebben of niet)
  20. een speld in een voer hooi zoeken (=een bijna onmogelijke opdracht uitvoeren)
  21. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  22. Nood doet zelfs oude vrouwen rennen (=Een onverwachte situatie kan verrassende kwaliteiten naar boven brengen (vergelijkbaar met `angst geeft vleugels`))
  23. iemand het voordeel van de twijfel gunnen (=een onzekere factor voor hem zo gunstig mogelijk laten meetellen)
  24. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan komen)
  25. het zeil in top zetten (=een zo goed mogelijke vertoning weggeven)
  26. Sisyfusarbeid (=een zware, onmogelijke, zinloze taak)
  27. zich in allerlei bochten wringen (=er op alle mogelijke wijzen proberen onderuit te geraken)
  28. er is geen zalf aan te strijken (=ergens niets aan kunnen doen of geen enkel zinvol advies mogelijk voor iemand)
  29. zijn ziel in lijdzaamheid bezitten (=gelaten het ongelijk verdragen)
  30. Bij kleine hapjes leert men een hond eten. (=Geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
  31. Bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=Geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  32. het bij het goede/rechte eind hebben (=gelijk hebben)
  33. gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
  34. geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  35. als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
  36. gouden bergen beloven (=heel veel (onmogelijks) beloven)
  37. huilen met de wolven in het bos (=het er niet mee eens zijn maar wel de baas gelijk geven en bevestigen)
  38. De een scheert schapen, de ander varkens (=Het is ongelijk verdeeld in de wereld)
  39. aal is geen paling (=het mindere is niet gelijk aan het meerdere)
  40. koeien met gouden horens beloven (=het onmogelijke beloven)
  41. ijzer met handen breken (=het onmogelijke doen)
  42. Met het hoofd tegen de muur lopen (=Het onmogelijke proberen)
  43. met het hoofd tegen de muur lopen (=het onmogelijke trachten te bereiken / mislopen)
  44. met de kop door de muur willen (=het onmogelijke willen)
  45. de maan met de handen willen grijpen (=het onmogelijke willen doen)
  46. naar de maan reiken (=het onmogelijke willen doen)
  47. vol gas geven (=het zo snel mogelijk doen verlopen)
  48. tussen hoop en vrees dobberen (=hopen dat het goed gaat, maar tegelijkertijd vrezen dat het mis gaat)
  49. tussen hoop en vrees zweven (=hopen dat het goed gaat, maar tegelijkertijd vrezen dat het mis gaat)
  50. de drie h s meegeven (=iemand (zo mogelijk definitief) wegsturen)

Het dialectenwoordenboek kent 96 spreekwoorden met `gelijk`

  1. Vlijtingens: zo zak zo bendel (=gelijkaardig)
  2. Opglabbeeks: det is eins (=gelijkwaardig)
  3. Wetters: tes navenant (=het is gelijklopend)
  4. Waregems: 't un trekt nievurs ip, dat 'n trekt ip niet(s), da gelijk(t) nievers an (=het gelijkt nergens op)
  5. Munsterbilzen - Minsters: den enen i (=gelijkgezinden steunen mekaar)
  6. kortemarks: tis em gescheetn en gespoogn (=de gelijkenis is opvallend)
  7. Waregems: 't un trekt ip nietn (=dat gelijkt nergens op)
  8. Zuid-west-vlaams: tes em gespoog'n (=de gelijkenis is sprekend)
  9. Sint-Niklaas: ei trekt eel goed op zè vodder (=hij gelijkt heel erg op zijn vader)
  10. West-Vlaams: tis em gespoog'n (=op iemand gelijken als twee druppels water)
  11. Bilzers: e kikske vantzelfde deeg bakke (=met gelijke munt betalen)
  12. Munsterbilzen - Minsters: kraeë pikke mekaander geen oog aut (=gelijkgezinden zitten in alles op één lijn)
  13. Weerts: twieë krejje pikke zich gein ouch oet (=twee gelijkgestemden doen elkaar geen schade aan)
  14. Sallands: Doe mar kalm an, wi-j hebt tegelieke oldejoarsdag (=Doe maar rustig aan, we hebben gelijktijdig oudejaarsdag)
  15. Sint-Niklaas: è éé faneigens gelijk (=natuurlijk heeft hij gelijk)
  16. Gents: m'hoan gelijk (=wij hadden gelijk)
  17. Diesters: dappele valle nie vijer van de boeëm; emetet van gin vremde (=hij gelijkt op zijn vader)
  18. Bilzers: das gezwoere zene pa (=hij gelijkt op zijn vader (beeld/manieren...))
  19. Waregems: van de gelijke (=van 't zelfde (bij nieuwjaarswens bv.))
  20. Munsterbilzen - Minsters: das koekoek éne zang (=het blijft allemaal gelijk)
  21. Brugs: dasse geliek et (=dat ze gelijk heeft)
  22. Limburgs: kriet in ut laok (=gelijk spel bij kaarten)
  23. Munsterbilzen - Minsters: na (=nu staan we weer gelijk)
  24. Rotterdams: ja toch? Niettan? (=iemand gelijk geven)
  25. Brugs: moe je weere den diksten èn (=gelijk willen hebben)
  26. Sint-Niklaas: ja gèt gelijk, ist nô goed? (=ja je hebt gelijk, is het nu goed,)
  27. Waregems: jattetoet (='t wél waar (onderstrepen van eigen gelijk))
  28. Sint-Niklaas: ei go geen oar achteruit (=hij moet gelijk hebben)
  29. Veurns: J' è gliek en nog en endiege toeë (=Je hebt volledig gelijk)
  30. Lokers: ueren gelijk talueren (=grote oren)
  31. Westerkwartiers: maagst gien stiefkiener moak'n ! (=je moet iedereen gelijk behandelen !)
  32. Drents: ie zilt wal geliek hebben (=je zult wel gelijk hebben)
  33. Bilzers: dastan wir effe, nau stonver wir kit. (=nu staan we weer gelijk)
  34. Munsterbilzen - Minsters: nau ston vër trèg kit (=nu staan we weer gelijk)
  35. Waregems: jat'ndoet (=het is niet waar (onderstrepen van eigen gelijk))
  36. Westerkwartiers: hij het 't grootste geliek van de wereld (=hij heeft duidelijk gelijk)
  37. Sint-Niklaas: iets talvendeur doen (=iets in twee gelijke stukken uiteendoen (breken); iets in twee stukken snijden)
  38. Lichtervelds: an tkortst ende trekkn (=geen gelijk halen)
  39. Hulsters (NL): één 'am, ammaol 'am (=iedereen gelijk bedelen)
  40. Zeeuws: tis loead om ouwiesder (=het blijft gelijk)
  41. kortemarks: gee glyk en een ende toe (=je hebt gelijk)
  42. Bilzers: vanal, das hinnestront ! (=vanalles kan gelijk wat zijn)
  43. Munsterbilzen - Minsters: hae hèt mei as gelijk (=hij heeft overschot van gelijk)
  44. Munsterbilzen - Minsters: ston te kieke waaj nen hoote heilege (=gelijk een koe naar een trein kijken)
  45. Bilzers: n erm sjoëp wiëd ook gesjoëre onder zene stat (=iedereen gelijk voor de wet)
  46. Vlijtingens: De hubs e geziech wèèj ene vechhoan (=je hebt een gezicht gelijk een vechthaan)
  47. Westerkwartiers: joe hemm'm geliek, ok al hemm'm joe 't (=u hebt so wie so altijd gelijk)
  48. Bilzers: as Poeëse en Pinkstere gelijk valle (=ooit eens, misschien)
  49. Brakels: gelijk daamme gezèjt en (=zoals afgesproken)
  50. Munsterbilzen - Minsters: hae hèttet grütste gelijk van de werd (=hij heeft overschot van gelijk)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen