Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


47 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `gaat`

  1. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  2. als de rechte Adam komt gaat Eva mee (=gezegd van 'n meisje dat liever niet wil trouwen)
  3. dat gaat erin als klokspijs (=dat gaat er gemakkelijk in)
  4. dat gaat je niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traumatische ervaring))
  5. dat gaat mijn pet te boven (=daar begrijp ik niets van)
  6. dat gaat zo tussen neus en mond (=dat gebeurt in een verloren ogenblik)
  7. dat horen en zien je vergaat (=erg luid)
  8. de grote kaars gaat uit (=de zon gaat onder)
  9. de kost gaat voor de baat uit (=eerst moeten er kosten worden gemaakt alvorens men er iets aan verdienen kan)
  10. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico's blijft nemen, gaat het een keer mis)
  11. De kruik gaat zolang te water tot zij barst (=1: Alles heeft zijn beperkingen. 2: De onvoorzichtige die niet naar goede raad wil luisteren ondervindt daarvan vroeg of laat de gevolgen)
  12. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z'n brood)
  13. De liefde van een man gaat door de maag. (=Je kan een man veroveren met goede kookkunst en lekker eten.)
  14. de natuur gaat boven de leer (=men volgt eerder zijn karakter dan hetgeen men leert)
  15. de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee (=altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens)
  16. de tijd gaat snel, gebruik haar wel (=verspil nooit de tijd die je kan gebruiken)
  17. die vlieger gaat niet op (=die gedachte gaat niet lukken)
  18. doorgaan tot het gaatje (=doorzetten tot het einde is bereikt)
  19. een ongeluk komt te paard en gaat te voet (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan)
  20. een renegaat is nog erger dan een Turk (=een vroegere vriend is een veel gevaarlijker vijand dan iemand die altijd een vijand is geweest)
  21. een ziekte komt te paard en gaat te voet (=men wordt snel ziek maar genezen duurt lang)
  22. Een ziekte komt te paard en gaat te voet. (=Snel ziek worden, maar langzaam genezen)
  23. er gaat een belletje rinkelen (=ik begin het te begrijpen)
  24. gras gaat niet harder groeien als je eraan trekt (=sommige dingen hebben tijd nodig)
  25. het gaat aan zijn neus voorbij (=hij loopt iets mis)
  26. het gaat hem/haar voor de wind (=hij/zij heeft geluk)
  27. het gaat van sassenbloed (=het gaat met grote opofferingen gepaard)
  28. het gaat zo zijn gangetje (=het verloopt rustig, zonder ups en downs)
  29. Het komt te paard en het gaat te voet. (=Ziekte en ongeluk komen vaak heel plotseling, maar het duurt lang voordat men weer hersteld is)
  30. het leven gaat niet altijd over rozen (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  31. hij gaat de visjes voeren (=hij is zeeziek en moet overgeven)
  32. morgen gaat het beter (=als het vandaag niet zo best is gegaan...)
  33. onkruid vergaat niet (=het slechte is moeilijk uit te roeien)
  34. oud mal gaat bovenal (=hoe ouder hoe gekker)
  35. praatjes vullen geen gaatjes (=met praten alleen komt men er niet, er moet ook wat gedaan worden)
  36. tot het gaatje gaan (=volhouden)
  37. vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen)
  38. Vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard. (=Vertrouwen wint men langzaam, maar kan men vlug verliezen)
  39. voor niets gaat de zon op (=alles kost geld en/of moeite)
  40. wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=Wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)
  41. wie bang leeft, gaat ook bang dood (=je gaat zoals je geleefd hebt)
  42. Wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=Voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)
  43. wie met honden omgaat, krijgt vlooien (=wie in slecht gezelschap verkeert, neemt slechte gewoonten over)
  44. wie met pek omgaat, wordt ermee besmet (=wie met slechte mensen omgaat neemt de gewoontes van die mensen over)
  45. wie plast tegen de kerk, gaat gevaarlijk te werk (=een wandaad met verstrekkende gevolgen)
  46. zich uitkleden voor men naar bed gaat (=alles weggeven voor men sterft)
  47. zijn mond gaat als een lazarusklep (=hij spreekt altijd)

82 betekenissen bevatten `gaat`

  1. Een morse muur is snel afgebroken (=1: Een slechte zaak gaat niet lang mee. 2: Als iets slecht gemaakt wordt gaat het gemakkelijk kapot)
  2. het loopt op rolletjes (=alles gaat als vanzelf)
  3. botertje aan de boom zijn / het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  4. als `t schip zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
  5. komt tijd komt raad (=als er genoeg tijd overheen gaat, komt de oplossing vanzelf)
  6. een ongeluk komt zelden/nooit alleen (=als er iets misgaat, gaat er vaak nog meer mis)
  7. als een warm mes door de boter (=als iets erg makkelijk of geleidelijk gaat)
  8. wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
  9. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  10. uitstel is geen afstel (=als je iets uitstelt wil dat nog niet zeggen dat je het nooit meer gaat doen)
  11. geen bericht is goed bericht (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  12. gissen doet missen (=als je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout)
  13. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico's blijft nemen, gaat het een keer mis)
  14. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
  15. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  16. de toon aangeven (=bepalen welke richting het op gaat)
  17. dat gaat erin als klokspijs (=dat gaat er gemakkelijk in)
  18. dat is van de baan (=dat gaat niet door)
  19. dat staat op de agenda (=dat gaat nog gebeuren; dat gaat nog besproken worden)
  20. die molen maalt langzaam (=dat gaat traag)
  21. de tijd kent geen genade (=de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt)
  22. dat is de hamvraag (=de vraag waar het om gaat)
  23. de grote kaars gaat uit (=de zon gaat onder)
  24. die vlieger gaat niet op (=die gedachte gaat niet lukken)
  25. een spaak in het wiel steken (=door iemands ingrijpen gaat een plan van de ander niet door)
  26. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=Een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  27. het juiste midden vinden (=een goed evenwicht vinden tussen twee tegengestelde aanpakken. Bijvoorbeeld, als het er om gaat hoeveel bevoegdheden de politie moet hebben om de rechtsstaat te handhaven)
  28. aan de rem trekken (=een ontwikkeling proberen tegen te houden/ waarschuwen dat iets niet goed gaat)
  29. teken aan de wand (=een waarschuwing dat er iets gaat gebeuren)
  30. het hemd is nader dan de rok (=eigen familie gaat voor)
  31. geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
  32. je hart vasthouden (=ernstig zorgen maken, bang zijn dat het mis gaat)
  33. het zinkende schip verlaten (=ervandoor gaan als de zaak misgaat)
  34. het houdt geen rooi (=het gaat de perken te buiten)
  35. een kind kan de was doen (=het gaat heel makkelijk)
  36. het loopt in't honderd (=het gaat helemaal mis)
  37. het gaat van sassenbloed (=het gaat met grote opofferingen gepaard)
  38. de klad zit er in (=het gaat niet goed)
  39. niet om de knikkers, maar om het spel (=het gaat niet om het winnen, maar om het spel)
  40. er zit geen schot in de zaak (=het gaat niet vooruit)
  41. De haring braadt hier niet (=Het gaat niet zoals het zou moeten)
  42. het is de toon die de muziek maakt (=het gaat om de manier waarop iets gezegd wordt)
  43. bergafwaarts (=het gaat steeds slechter, bijvoorbeeld met iemands gezondheid, of met een bedrijf)
  44. het kan er mee door (=het gaat wel, het is aanvaardbaar)
  45. beter hard geblazen dan de mond gebrand (=het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid iets fout gaat)
  46. een kort liedje is gauw gezongen (=het onaangename gaat snel genoeg voorbij)
  47. fiat justitia et pereat mundus (=het recht moet zegevieren ook al vergaat de wereld)
  48. zoals de wind waait, waait zijn jasje (=hij gaat met de heersende mening mee of telkens van mening veranderen afhankelijk van de mensen om iemand heen)
  49. Hij moet droog brood eten. (=Hij moet erg zuinig zijn, het gaat hem financieel slecht.)
  50. weer of geen weer (=hoe het weer ook is, het gaat door)

Het dialectenwoordenboek kent 350 spreekwoorden met `gaat`

  1. Bilzers: ze konne baeter vanmech kalle as vanmech aete (=praatjes vullen geen gaatjes)
  2. Florianders: gaathie (=Hoe gaat het)
  3. Gronings: proat is gain jenever (=praatjes vullen geen gaatjes)
  4. Westels: et reigert klaan gaaten (kleine geiten) (=het regent pijpenstelen)
  5. Nijmeegs: die sulle duir gin gaotjes ien 't sand pisse (=die zullen daarv geen gaatjes in het zand pissen)
  6. Eekloos: ostwades (=het gaat wel)
  7. Harlingers: da gaat as dikke stront deur un nauwe trechter (=dat gaat langzaam)
  8. Ransts: hij gaat zijn petatten afgieten (=een man die gaat urineren)
  9. Rotterdams: Het gaat als dikkuh stront teguh un steile helling op (=Het gaat langzaam)
  10. Sint-Niklaas: alles sloag tegen (=alles gaat tegen)
  11. Brabants: da gaot as un flutje van ne cent (=dat gaat gemakkelijk)
  12. Haperts: Dè gì nie (=Dat gaat niet)
  13. Mechels (BE): tgad ouver z'n haot (=dat gaat te ver)
  14. Antwerps: da veegt z'n gat zongder papier (=dat gaat vanzelf)
  15. Westerkwartiers: doar zit wel meziek ien (=dat gaat wel goedkomen)
  16. Westerkwartiers: de gört is goar ! (=dit gaat te ver !)
  17. Oudenbosch: gaogut un bietje (=gaat alles goed)
  18. Westfries: Moôi zitte, dom koike! (=gaat goed zo!)
  19. Drents: 't Kun minder (=Het gaat goed)
  20. Harelbeeks: 't es goe jag, zulle! (=het gaat goed, hoor!)
  21. Drents: 't kun een stuk minder (=het gaat heel goed)
  22. Langemarks: tzit géen schuuf in (=Het gaat niet vooruit:)
  23. Westerkwartiers: 't gijt wel aan (=het gaat redelijk goed)
  24. Munsterbilzen - Minsters: doë kump wirren sjoeër op (=het gaat regenen)
  25. Bilzers: tzal wol bekiele (=het gaat wel over)
  26. Lokers: ij gou veruit gelijk ne zieeldroujer (=Hij gaat achteruit)
  27. Gents: aa goa veuruit gelaak de zieldroagers (=hij gaat achteruit)
  28. Westerkwartiers: hij zit op 'e wip (=hij gaat bijna overstag)
  29. Drents: hij giet noa huus (=hij gaat naar huis)
  30. turnhouts: oewiest mejaaaw (=hoe gaat het met u)
  31. Bilzers: Waaj ees? (=Hoe gaat het?)
  32. Wommersoms: ge gojt ne post pakke (=jij gaat iets meemaken)
  33. Lierops: Gai kent zo angoan (=Jij gaat zo aan)
  34. Vejels: kloewete van witvis (=iets dat niet gaat of doorgaat)
  35. Bilzers: stillekes aon doertet langste (=rustig aan gaat ook)
  36. Sinttruins: moe gootje heine (=waar gaat u heen)
  37. Sint-Katelijne-Waver: as eu fleuke van ne cent (=dat gaat vanzelf)
  38. Deinzes: wiedoewa? (=Wie gaat er wat doen?)
  39. Gronings: As't nait gait zoas't mot, mot't mor zoas't gait (=Als het niet gaat zoals het moet, moet het maar zoals het gaat)
  40. Munsterbilzen - Minsters: geet et nie, dan bok et mèr (=gaat het niet zaols het moet, dan moet het maar zoals het gaat)
  41. Steins: Auch ènne !! (=Hoe gaat het ?? ( Antwoord ))
  42. Nijlens: oewist (=hoe gaat het)
  43. Munsterbilzen - Minsters: da geet bloed koste (=dat gaat een zware inspanning kosten)
  44. Westerkwartiers: da's loopjes waark (=dat gaat in de loop weg mee)
  45. Oudenbosch: da gaodover mun out eene (=dat gaat mij veel te ver)
  46. Westerkwartiers: dat gijt niet volg'ns jacobus (=dat gaat niet volgens de regels)
  47. Bilzers: dëë geeste noch vër blieë (=dat gaat nog (geld) kosten)
  48. Oudenbosch: diejen e-ring braoit nie (=die vlieger gaat niet op)
  49. Westerkwartiers: d'r gijt niks boov'm grunn'n (=er gaat niets boven groningen)
  50. Mols: gaai goa nievrans henne ! (=gij gaat nergens naar toe !)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen