Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

28 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `dragen`

  1. de appel wegdragen/winnen (=als schoonste erkend worden)
  2. De dag met manden uitdragen (=Tijd verdoen)
  3. de jongste ezel moet het pak dragen (=de jongste moet de vervelende klusjes opknappen)
  4. de palm wegdragen (=winnen)
  5. een goed begin heeft een goed behagen maar het eindje zal de last dragen (=goed beginnen is prima, maar je moet volhouden tot het einde)
  6. een goed hart toedragen (=goed kunnen verdragen)
  7. een schop van een ezel kunnen verdragen (=je moet het aankunnen dat iemand zonder verstand van zaken kritiek geeft)
  8. het daglicht niet kunnen verdragen/zien (=iets wordt stiekem of oneerlijk gedaan)
  9. het eind zal de last dragen (=moeilijkheden en problemen komen vooral als het werk bijna af is)
  10. het hart hoog dragen (=erg trots zijn)
  11. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  12. het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezicht te lezen dat hij een schurk is)
  13. Het zijn niet al ridders die sporen dragen (=Je kunt niet alleen aan iemands uiterlijk afleiden of hij ergens geschikt voor is)
  14. het zijn niet allen koks die lange messen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
  15. het zijn niet allen monniken die kappen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
  16. het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen (=wie in weelde leeft moet oppassen om niet op het slechte pad te raken)
  17. ieder moet zijn eigen kruis dragen (=ieder moet zijn eigen tegenslagen verwerken)
  18. Iedereen moet zijn last dragen (=Ieder heeft zijn problemen)
  19. iemand een warm hart toedragen (=iemand steunen)
  20. iemand op handen dragen (=grote bewondering hebben voor iemand)
  21. kolen naar Newcastle dragen (=nutteloos werk verrichten)
  22. meer laden dan men dragen kan (=te veel hooi op zijn vork nemen)
  23. meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragen (=een aanmoediging om meisjes met bloemen te kussen)
  24. oogkleppen dragen (=iets niet (willen) zien)
  25. uilen naar Athene dragen (=nutteloos werk verrichten)
  26. voorbij de schout zijn deur mogen dragen (=wel gezien mogen worden)
  27. water in de zee dragen (=iets totaal zinloos doen)
  28. water naar de zee dragen (=een zinloos karwei opknappen)

49 betekenissen bevatten `dragen`

  1. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  2. wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten (=als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen))
  3. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  4. de liefde kan niet van één kant komen (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  5. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  6. voor iets moeten bloeden (=de gevolgen moeten dragen)
  7. het gouden kalf aanbidden (=de hoogste waarde hechten aan geld / zich onderdanig gedragen tegenover rijken)
  8. buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  9. alleen een piepend wiel krijgt olie (=door zich opvallend te gedragen bekomt men aandacht)
  10. gewicht in de schaal leggen (=een wezenlijk deel bijdragen)
  11. water en vuur zijn (=elkaar niet kunnen verdragen)
  12. mogen lijden (=er wel tegen kunnen - iemand wel kunnen verdragen)
  13. ergens een streepje door lopen (=erg vreemd zijn/gedragen)
  14. in de hand werken (=ertoe bijdragen)
  15. als een blad van een boom veranderen/omkeren (=geheel anders gaan gedragen)
  16. zijn ziel in lijdzaamheid bezitten (=gelaten het ongelijk verdragen)
  17. een goed hart toedragen (=goed kunnen verdragen)
  18. beter blo(de) Jan dan do(de) Jan (=het is beter zich laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
  19. de broodkruimels steken hem (=hij kan de welstand niet dragen)
  20. boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
  21. iemand het licht in de ogen niet gunnen (=iemand absoluut niet kunnen verdragen)
  22. het op iemand begrepen hebben (=iemand goed kunnen verdragen / iemand is altijd de pineut)
  23. iemand de wet stellen (=iemand iets opdragen te doen)
  24. liever iemand zijn hielen zien dan zijn tenen (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  25. het niet op iemand hebben (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  26. iets tegen iemand hebben (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  27. een hard gelag zijn (=iets is moeilijk te dragen)
  28. de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  29. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  30. overweg kunnen (=kunnen verdragen, aankunnen)
  31. wie tapt die moet boren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
  32. liever van achteren zien dan van voren (=niet goed kunnen verdragen)
  33. het niet verzien hebben op (=niet goed kunnen verdragen)
  34. niet kunnen hebben (=niet kunnen verdragen)
  35. geen zoden aan de dijk brengen/zetten (=niets bijdragen tot)
  36. het licht in de ogen niet gunnen (=niets gunnen, er niets van kunnen verdragen)
  37. alle beetjes helpen (=ook kleine dingen dragen bij aan het grote geheel)
  38. Ongegund brood wordt veel gegeten. (=Vaak kan men het niet verdragen dat het een ander beter gaat.)
  39. een dikke huid hebben (=veel kunnen verdragen)
  40. een harde huid hebben (=veel kunnen verdragen)
  41. een olifantshuid hebben (=veel kunnen verdragen)
  42. een brede rug hebben (=veel kunnen verdragen)
  43. brede schouders hebben (=veel kunnen verdragen)
  44. ze niet alle vijf hebben (=vreemd gedragen of niet goed bij het verstand zijn)
  45. tegen een stootje kunnen (=wel iets kunnen verdragen)
  46. wie zijn gat brandt, moet op de blaren zitten (=wie een risico neemt, moet de gevolgen dragen)
  47. die wind zaait zal storm oogsten (=wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
  48. een oud wijf zijn (=zich niet flink gedragen - zeuren)
  49. de beest spelen/uithangen (=zich onbeschoft gedragen)

Het dialectenwoordenboek kent 24 spreekwoorden met `dragen`

  1. Rekem: op ziene kroemenak dragen (=op zijn schouders dragen)
  2. Bildts: gyn riem betale kinne (=broek laag dragen)
  3. Ronsisch: De buile vang'n (=De gevolgen dragen)
  4. Astens: los in de koij (=geen bh dragen :)
  5. Rekem: op zenne kroemenak draage (=op zijn schouders dragen)
  6. Booms: gor sloage (=zorg voor iets dragen)
  7. Iepers: potje breekn, potje betaoln (=de gevolgen van iets dragen)
  8. Iepers: potje brik, potje betoaln (=de gevolgen van iets dragen)
  9. Opglabbeeks: emes oppe puuzak pakke (=iemand op de rug dragen)
  10. Lebbeeks: joenger'n: Zijn joenger'n opgeet'n emmen (=Een baard dragen)
  11. Oudenbosch: da jak aadde gij gere genog aangat gat (=die jurk had je best willen dragen)
  12. Brakels (gld): Hij's plaanke oan droage in Dordt (=Hij is planken aan het dragen in Dordt)
  13. Bachten de kupes: oije gat verbrand moei op de bloaren zitn (=gevolgen dragen van actie)
  14. Lichtervelds: ge zult de bolln meugn kièèrn (=ge zult de gevolgen moeten dragen)
  15. Munsterbilzen - Minsters: ooch erm beiste draoge ne laere jas (=ook de lelijkste dieren dragen een pels)
  16. Gelaens (Geleens): 'n Kiendje póngele. (=Een klein kind op de armen dragen.)
  17. Sint-Niklaas: der is meer dan één koe die Bloar eet (=veel dingen en mensen dragen dezelfde naam)
  18. Veurns: ze spa op ze rik dragen (=niet (veel) werken)
  19. Steins: ich höb ’t mòtte kènne (=de nare gevolgen van iets dragen)
  20. Lichtervelds: oaj je gat verbrand moej up de bloazn zittn (=als je iets verkeerd doet moet je er de gevolgen van dragen)
  21. Sint-Niklaas: nen trui binneste buiten oan ein (=per vergissing een pull met de binnenkant langs buiten dragen)
  22. Munsterbilzen - Minsters: de mond mok datte batse slaeg krijge (=wie een grote mond zet, moet de gevolgen dragen)
  23. Munsterbilzen - Minsters: zieg mér daste gene dikke nak kraajgs (=het zijn alléén sterke benen die de weelde kunnen dragen)
  24. Holsbeeks: ik gön men blokke no ons Merie droge (=Ik ga mijn klompen naar ons Marie (de vrouw) dragen. Ik ga naar huis, naar moeder de vrouw.)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen