Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

21 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `schip`

  1. als `t schip zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
  2. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  3. daar komt een schip met zure appels (=daar komt een stevige regenbui aan)
  4. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  5. de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
  6. de wal keert het schip (=door beperkingen enigerlei niet verder kunnen)
  7. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  8. een schip op het strand is een baken in zee (=van de fouten die anderen hebben gemaakt kun je zelf veel leren)
  9. er dienen geen twee masten op een schip (=er kan er maar één het bevel voeren)
  10. er is maar een grote mast op een schip (=er is er maar één de baas)
  11. geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
  12. het schip ingaan (=groot risico nemen, leidend tot verlies)
  13. het zinkende schip verlaten (=ervandoor gaan als de zaak misgaat)
  14. in het achterschip geraken (=in zaken achteruit gaan)
  15. in het zicht van de haven schipbreuk lijden (=op het laatste nippertje nog verliezen)
  16. schip met zure appelen (=wolk die regen en storm voorspelt)
  17. schipbreuk lijden (=het niet tot zijn doel geraken / mislukken)
  18. schoon schip maken (=schulden betalen, de boel opruimen, na ruzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten rusten)
  19. tussen de wal en het schip geraken (=in de knel komen, iets raakt per ongeluk verloren of zoek)
  20. zijn schip is binnen (=hij heeft zijn fortuin gemaakt)
  21. zijn schip voert te grote zeilen (=te veel geld uit geven)

3 betekenissen bevatten `schip`

  1. naar de kabeljauwskelder (=schip wat gezonken is)
  2. naar de bar(re)biesjes gaan (=totaal verloren gaan zonder dat er iets van overblijft (bijv. een schip dat vergaat))
  3. naar de kelder gaan (=verongelukken (en met een schip: zinken))

Het dialectenwoordenboek kent 32 spreekwoorden met `schip`

  1. Lebbeeks: schippes: Ik ben schippes (=Ik ben weg)
  2. Munsterbilzen - Minsters: ze sjieëp ès ont zinke (=de schipper is aan lager wal geraakt)
  3. Moes: kzen schippes (=ik ben weg)
  4. Oudenbosch: zo vaore de schipperkes naor Dort (=daar is niets aan te doen)
  5. Kortemarks: 't lopt van de schippe (=het is overdreven)
  6. Lichtervelds: tlopt van de schippe (=het is overdreven)
  7. Kortemarks: tlopt van de schippe (=het is overdreven)
  8. kortemarks: jee ze schippe ofgekuust (=hij is weg)
  9. Sint-Niklaas: 'k gô mè ertus (koekus, kloavurs, schippus) uitgoan (uitkommen) (=ik ga met harten(......) beginnen spelen (kaartspel))
  10. Brakels (gld): Allièn es 't schip meej dubbeltjes oankomt (=Alleen als het schip met dubbeltjes aankomt)
  11. Brakels (gld): Un schip meej zure appels (=Een schip met zure appels)
  12. Munsterbilzen - Minsters: dër mètte groeëve bossel dërgon (=schoon schip maken)
  13. Katwijks: hij hep een stee (=hij is heeft een baan op het schip)
  14. Aalsters: ne schip in zen kloeiten geiven / ne schip onder zen vioel geiven (=iemand een trap geven)
  15. Westerkwartiers: schoon schip moak'n (=alle ouwe troep opruimen)
  16. Veurns: 't Gat in zien/'t schip op zien/anzetten/ze schupp' ofkuschen (=Vertrekken)
  17. Westerkwartiers: de bezzem moet d'r deur !! (=ze moeten schoon schip maken !!)
  18. Westerkwartiers: 't leste schip mot ok vracht hemm'n (=maak je niet zo druk)
  19. Moes: ne schip in ou ol (=een schop onder uw achterste)
  20. Neerharens: Doa veurt e sjeeëp op de knaal (=Daar vaart een schip op het kanaal)
  21. Munsterbilzen - Minsters: hae vaegde zen kloete traon (=de kapitein verliet het zinkend schip)
  22. Kortemarks: jis gièène schip teegn ze gat wêird (=hij deugt niet)
  23. Lichtervelds: jis gièène schip teegn ze gat wêird (=hij is niets waard)
  24. Westerkwartiers: d'r vaalt wel es wat tuss'n waal en schip (=er gaat wel eens iets verloren)
  25. Baasrode: 'k kois men schip af (=Ik stop ermee)
  26. Brugs: utwien un schip oender z'n kloaten geejven (=iemand een trap geven)
  27. Giethoorns: Hi'j zit in 't aachterste schip (=Hij is het laatst aan de beurt)
  28. Westerkwartiers: d'r komt 'n schip met zure abbels aan (=er komt een bui regen deze kant op)
  29. Westerkwartiers: wel ien 't schip zit moet voar'n (=je moet je inzetten voor je job)
  30. Westerkwartiers: gien twee kapteins op één schip (=er kan maar één de baas zijn)
  31. Westerkwartiers: 't leste schip moet ook vracht hemm'n (=je moet ook wat bewaren voor laatkomers)
  32. Westerkwartiers: we kiek'n wel woar 't schip strand (=we zien wel hoe ver we komen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen