Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


25 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `boer`

  1. als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit)
  2. als de vos de passie preekt boer pas op je ganzen (=een huichelaar is niet te vertrouwen)
  3. boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
  4. boerenverstand (=zonder scholing toch slim zijn)
  5. de boer eet vis als het spek op is (=Je moet tevreden zijn met wat je hebt)
  6. De boer op de bok liet de teugels vieren, het paard kende zelf de weg wel. (=Je moet niet doen alsof je de beste bent, iemand anders weet ook wel wat)
  7. de boer op gaan (=de (niet-fysieke) markt opgaan om iets te verkopen / verdwalen / de stad verlaten)
  8. De domste boeren hebben de dikste aardappelen (=Met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
  9. een boer met kiespijn lacht niet (=mensen met pijn kunnen moeilijker ontspannen)
  10. een boer op klompen (=een lomperd)
  11. een droge maart en een natte april is de boeren naar hun wil (=weerspreuk)
  12. een ongeletterde boer (=weinig geleerd persoon)
  13. Elk zijn meug, zei de boer en hij at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=Boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doen)
  14. goed boeren / goed geboerd hebben (=succesvol geweest zijn, vooral financieel)
  15. lachen als een boer die een hoefijzer vindt (=tevreden lachen)
  16. lachen als een boer met kiespijn (=lachen zonder echt blij te zijn)
  17. op den boer (=op den buiten)
  18. op zijn boerenfluitjes (=slordig)
  19. van die boer, geen eieren (=dit is een oplossing die men niet wenst)
  20. wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
  21. Wat de boer aan het koren verliest zal hij aan het spek wel terugvinden (=Waar iemand iets verliest zal iemand (anders) iets winnen)
  22. Wat de boer niet kent, dat eet hij niet. (=Mensen houden niet van (zijn bang voor) wat ze niet kennen.)
  23. wat de boer niet kent, dat vreet hij niet (=hij wenst uitsluitend gerechten te nuttigen die hij reeds kent)
  24. zo vraagt men de boeren de kunst af (=zo verneem je hoe het moet)
  25. zoveel geven om iets als een boer om een kers (=er totaal niets om geven)

10 betekenissen bevatten `boer`

  1. wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
  2. Elk zijn meug, zei de boer en hij at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doen)
  3. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
  4. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  5. uit de klei getrokken (=boers)
  6. boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
  7. van Lillo komen (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te Waarde in 1579)
  8. Eten dat je zweet en werken dat je het koud krijgt, dat zijn de waren. (=Slecht personeel. Uit de tijd dat meiden en knechts bij de boer in de kost waren.)
  9. Een snijder heeft maar een darm. (=Spotternij van boeren, die veel meer eten dan de kleermaker.)
  10. van achter de koeien/ploeg komen (=van boerenafkomst zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 117 spreekwoorden met `boer`

  1. Zeeuws: boern il banke (=boerenleenbank)
  2. Westerkwartiers: boer'n en swien'n word'n knorr'ndeweg vet (=boeren en varkens knorren altijd)
  3. Brussels: in 't ol van pluto (=in een boerengat)
  4. Kaatsheuvels: baankske van de Rooy (=boerenleenbank (nu Rabobank))
  5. Horster: ennen dikke boor (='n boer met een grote boerderij)
  6. helmonds: brengde ga wa secies mee (=breng even 1ons boerenmetworst mee.)
  7. Munsterbilzen - Minsters: zèg et èns ént vlaoms (=zeg het in gewone boerentaal)
  8. Antwerps: zaeik van boeremie (=prietpraat)
  9. Achterhoeks: waor bu'j vaan ? (antw.: vleisch en butte) (=Hoe heet je / wat is je afkomst ? (achternaam / boerderijnaam))
  10. Westerkwartiers: 'n echte boerakkerbaal (=heel slecht aangegeven bal)
  11. Mechels (BE): boerekes van den baute (=Die van YR KVM)
  12. Drents: Regen op Pisgriet; 6 week boerenverdriet (=weerspreuk)
  13. Rijssens: roep'n in moos (=rupsen in de boerenkool)
  14. turnhouts: das zaaiek van boeremie (=slappe koffie)
  15. Sint-Niklaas: lot de boere mor dussen (=dorsen) (=de zaak is gelukt)
  16. Moorsel: Lotsj ge de boere mo dessn (=Laat de anderen maar werken)
  17. Genneps: van het bed op 't stroj kómme (=achteruit boeren)
  18. Bilzers: de hoes gene grond te hübbe vür ne boer te zin (=Landbouwers zitten in de stal, maar boeren zitten overal)
  19. Zeeuws: oeans as boern (=wij als boeren)
  20. Venloos: De stómste boere hebbe de diekste petatte (=Het geluk is met de dommen)
  21. Kortrijks: ne puf loat'n (=een boer laten)
  22. Merenaars: zen skelf valt in (=een boer laten)
  23. Wetters: de komplementen van mijnen eetzak (=een grote boer laten)
  24. Tilburgs: ik kom uit de biest (=ik ben een boer)
  25. Brugs: me moage sloat ip (=een boer laten)
  26. Sittards: De sjòmste boere höbbe de dikste aerpel (=Het geluk is met de dommen)
  27. Gelaens (Geleens): De sjómste boere höbbe de dikste aerpel (=Het geluk is met de dommen.)
  28. Sint-Niklaas: zijne mutten loate keren (=een boer laten)
  29. Hansbeeks: nen peenboer (=een slordige boer)
  30. Brugs: mun dilte stuukt in (=een boer laten)
  31. Zeeuws: moet je een schoon bord (=iemand laat een boer)
  32. Weerts: 'ne Boor en e vêrke knorre altiêd (=boeren klagen altijd)
  33. Antwerps: das de zeik van boere mie (=als koffie te slap is)
  34. Twents: wie hebt roepen op n moos; Vi'j hebt roep'n op'n moos (=wij hebben rupsen op de boerenkool)
  35. Merenaars: zen mougd lotte kiejeren (=een boer laten)
  36. Twents: roep'n op 'n moos hebb'n (=rupsen op de boerenkool hebben)
  37. Zeeuws: m`n ge na t`oefje\\doeve (=we gaan naar de boerderij)
  38. Sallands: wat den boer nie kent vret e nie (=wat de boer niet kent eet hij niet)
  39. Twents: As nen boer nich klaagt is hee zeeke (=Als een boer niet klaagt, is hij ziek)
  40. Sint-Niklaas: gift dien boer ne stoel (=als iemand een boer laat ....(zegt men dikwijls))
  41. Dunges: Gift diejen boer un stoel (=uitspraak nadat iemand een boer heeft gelaten)
  42. Flakkees: un miêtje dordejuun (=lapje met uien van de boer)
  43. Haags: lachuuh as een zeeuuw met kieespeen (=lachen als een boer met kiespijn)
  44. Weerts: ' Nne boor en e vêrreke knorre altiêd (=Een boer is nooit tevreden)
  45. Achterhoeks: at met völt geet de boer worsten. (=Als het met valt gaat de boer worsten)
  46. Liemers: 'n boer en zien zoeg hemme nooit genoeg (=Een boer en zijn zeug hebben nooit genoeg)
  47. Westerkwartiers: wat de boer niet ken vret 'er niet (=wat de boer niet kent eet hij niet)
  48. Twents: wat'n boer nicht ken't dat vrett'e nicht (=wat een boer niet kent dat eet die niet)
  49. Munsterbilzen - Minsters: ze krijge hieën van de zörge (=de boeren zien af als de beesten)
  50. Zeeuws: nieuwe petaten en zoute vis eten de boeren at kerremis is (=kerremis)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen