27 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `boer`
- als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit)
- als de vos de passie preekt boer pas op je ganzen (=een huichelaar is niet te vertrouwen)
- boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
- boerenverstand (=zonder scholing toch slim zijn)
- de boer eet vis als het spek op is (=je moet tevreden zijn met wat je hebt)
- de boer op de bok liet de teugels vieren, het paard kende zelf de weg wel. (=je moet niet doen alsof je de beste bent, iemand anders weet ook wel wat)
- de boer op gaan (=de (niet-fysieke) markt opgaan om iets te verkopen / verdwalen / de stad verlaten)
- de domste boeren hebben de dikste aardappelen (=met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
- een boer met kiespijn lacht niet (=mensen met pijn kunnen moeilijker ontspannen)
- een boer op klompen (=een lomperd)
- een droge maart en een natte april is de boeren naar hun wil (=weerspreuk)
- een ongeletterde boer (=weinig geleerd persoon)
- elk zijn meug, zei de boer en hij at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doen)
- goed boeren / goed geboerd hebben (=succesvol geweest zijn, vooral financieel)
- herenzonden boerenleed. (=de gewone mensen boeten voor de fouten van de mensen met macht)
- in februari klagen de boeren het minst. (=boeren klagen altijd maar februari heeft de minste dagen om in te klagen (grapje))
- lachen als een boer die een hoefijzer vindt (=tevreden lachen)
- lachen als een boer met kiespijn (=lachen zonder echt blij te zijn)
- op den boer (=op den buiten)
- op je boerenfluitjes (=slordig)
- van die boer, geen eieren (=dit is een oplossing die men niet wenst)
- wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
- wat de boer aan het koren verliest zal hij aan het spek wel terugvinden (=waar iemand iets verliest zal iemand (anders) iets winnen)
- wat de boer niet kent, dat eet hij niet. (=mensen houden niet van (zijn bang voor) wat ze niet kennen.)
- wat de boer niet kent, dat vreet hij niet (=hij wenst uitsluitend gerechten te nuttigen die hij reeds kent)
- zo vraagt men de boeren de kunst af (=zo verneem je hoe het moet)
- zoveel geven om iets als een boer om een kers (=er totaal niets om geven)
11 betekenissen bevatten `boer`
- wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
- in februari klagen de boeren het minst. (=boeren klagen altijd maar februari heeft de minste dagen om in te klagen (grapje))
- elk zijn meug, zei de boer en hij at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doen)
- men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
- de aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
- uit de klei getrokken (=boers)
- boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
- van Lillo komen (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te Waarde in 1579)
- eten dat je zweet en werken dat je het koud krijgt, dat zijn de waren. (=slecht personeel. Uit de tijd dat meiden en knechts bij de boer in de kost waren.)
- een snijder heeft maar een darm. (=spotternij van boeren, die veel meer eten dan de kleermaker.)
- van achter de koeien/ploeg komen (=van boerenafkomst zijn)
50 dialectgezegden bevatten `boer`
- (=Als het meevalt gaat de boer worsten) (Achterhoeks)
- `Aarg geschrouw, mer weinig wol, ` zei de boer en hie had 't vaarke onder 't mes (=Veel geschreeuw, maar weinig wol) (Barnevelds)
- ' Nne boor en e vêrreke knorre altiêd (=Een boer is nooit tevreden) (Weerts)
- 'n goeie boer let zien hond d'r met dit weer niet eens uut (=buiten is het noodweer :) (Westerkwartiers)
- 's Mérges zèk de boer : de hoes nie te joëge of te drijve, ve zulle gemêkkelek gedoën krijge.s' Oëves zekter dan : Ver hoeve nimei te jöëge of te drijve, ve zulle toch nimei gedoën krijge (=nooit laten opjutten!) (Bilzers)
- 't komp zoas 't komp zee de boer en scheet zuk in de boksem (=je kunt je druk maken om van alles en nog wat, het komt toch zoals het komt) (gronings)
- 't was net een Batse boer (=pronkelig gekleed) (Zeeuws)
- as 'ne boer 'n hin slacht, ès de boer zik och de hin. (=als de boer zijn hen slacht...) (Genker)
- as de boer mij niet holl'n wil, zee de knecht, wil ik niet langer bliev'm (=als men de eer aan zichzelf wil houden) (Westerkwartiers)
- as ne boer nich kan zwemmen, ligt 't an 't water (=het ligt altijd aan iets anders) (Twents)
- As nen boer nich klaagt is hee zeeke (=Als een boer niet klaagt, is hij ziek) (Twents)
- aste boer niks moet, vertrèk ter hand noch voet (=boeren zijn eigenzinnig) (Munsterbilzen - Minsters)
- baeter ne kleene boer asne graute knaech (=liever zelfstandig) (Munsterbilzen - Minsters)
- boer'n en zwien'n word'n knorr'ndeweg vet (=een boer klaagt hoe dan ook) (Westerkwartiers)
- Buite gij, ge betoul gin huisuur. (=Een luide boer of scheet laten) (Bevers)
- D'n stómste boer het duk de dikste èrpele (=De grootste dommerik heeft vaak de beste resultaten) (Wells)
- da kan bè nun boer oak veurvallen (=iedereen kan missen) (Sint-Niklaas)
- dae èste boer op (=hij is op zoek) (Munsterbilzen - Minsters)
- das mich ne staajve boer (=hij heeft geen enkel of meegaand) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat staot gin boer in zunne venster (=dat staat niemand in de weg) (Bosch)
- De boer ha 17 jung en os Merei heitte Tul os en, ooch nog Seefa en osse Jef heitte Fuin en osse Louis heitte Juul, da war fur het nie gemekklijk te maken (=de boer had 17 kinderen, allemaal jaar op jaar, 3 dochters heette Maria en werden, Tul, Mereë en Seefa genoemd, Onze Jozef heette Feun, onze Louis heete Jef en onze Henrie heette Juul, toch niet gemakkelijk he) (Heusdens)
- de boer moet wiet'n wat de bodder kost (=de verkoper bepaalt de prijs) (Westerkwartiers)
- de grotste boer heej de grotste èèrepel (=het geluk is met de dommen) (Tilburgs)
- de hoes gene grond te hübbe vür ne boer te zin (=Landbouwers zitten in de stal, maar boeren zitten overal) (Bilzers)
- de hoes gene grond te höbbe vür ne boer te zin (=lomperiken zijn ook boeren) (Munsterbilzen - Minsters)
- de iene boer vroagt an den nare boer, wei giet het be oer pjerd me pjerd da giet nie da lupt, en wei lupt oer pjerd oh het giet (=de ene boer vraagt aan de andere boer hoe gaat met Uw paard de boer antwoord mijn paard gaat niet, dat loopt, en hoe loopt Uw paard oh het gaat) (Heusdens)
- De kins einen neksen boer neet in de tes schiète (=Het onmogelijke kun je niet doen) (Venloos)
- de komplementen van mijnen eetzak (=een grote boer laten) (Wetters)
- De slimste boer peest wellus op zien blök (=Ook de beste kan zich weleens vergissen) (Zurriks)
- Dé snapt unne boer mee ééne érm (=Dat is zeer eenvoudig) (Tilburgs)
- Dè snapt unnen boer mee éénen errem nog wel (=Dat snapt toch iedereen) (Brabants)
- de vrouwe kan mear met de portemonnee ' t hoes oet drèègn, dan de boer d' r met de schoefkoare in kan veurn (=de vrouw kan meer uitgeven dan de boer kan verdienen) (Twents)
- den boer ging nor uis en de stroatjongens kwammun boogoarden (bunderen) (=de boer ging naar huis en de straatjongens kwamen fruit stelen) (Sint-Niklaas)
- den boer waar himmol aachter op zunnen èkker, k-kos um nie bekwêeke krèège (=de boer was helemaal achter op zijn akker, ik kon hem niet bereiken met roepen) (Tilburgs)
- den bonten bôêr öthange (=losbandig zijn) (Tilburgs)
- Den buur zitj op zijn osjken (=De boer zit op zijn wc) (Teralfens)
- den domsten boer ee de dikste petetten (=Domme mensen hebben het meeste geluk) (Lokers)
- die kikt as 'n boer met kuuspien (=dat is een onvriendelijk mens) (Westerkwartiers)
- die lacht as ' n boer met kuuspien (=die lacht zuur) (Westerkwartiers)
- doar kunde nen boer mee van zèen pèerd sloan (=dat is erg hard (m.n. betreffende voedsel)) (Wichels)
- Doar kunde nen boer mee van zijn peird kloppen (=Dat is heel hard) (Waasmunsters)
- e gat is e gat zeite boer en haa poepte zaan veireke (=een achterwerk is een achterwerk zei de landbouwer, en hij vrijde met zijn varken) (herenthouts)
- e koet ès ë koet, zaagte boer en hae sproeng op zë vérkë (=daarom is klein Pietje blind) (Munsterbilzen - Minsters)
- een dreuge meert en een natte april is noar de boer zn wil (=een droge maart en ee natte paril is naar de boer zijn wil) (Doornspijks)
- Een dreuge mèert en natte april, dat is de boer zien wil (=Weerspreuk) (Drents)
- eine boor geuftj gein krediet, as d’r gevraete haet, haet d’r sjiet (=een boer wil contant betaald worden bij levering) (Heitsers)
- ennen dikken boor (='n boer met een grote boerderij) (Horster)
- ès te boer van den akker, dan wieëne hond en jaeger wakker (=als de boer uit het veld is, is het veld vrij voor de jagers) (Munsterbilzen - Minsters)
- G' oeft gin land te hebbe um boer te zen (=men hoeft geen land te hebben om een boer te zijn) (Eindhovens)
- ge keunt ermee nen boer van zin pèrd sloan (=om aan te geven dat iets heel stevig is) (Wevelgems)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen