1672 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `he`
- dat scheelt een slok op een borrel (=dat scheelt heel wat)
- dat was Grieks voor hem (=dat begreep hij niet)
- dat was op het nippertje (=dat is maar net gelukt)
- dat wast al het water van de zee niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
- dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
- dat zal hem niet glad zitten (=iets zal niet meevallen en moeilijk zijn)
- dat zijn ze niet die `t Wilhelmus blazen (=dat zijn onze vrienden niet)
- de aap binnen/weg hebben (=het geld ontvangen hebben)
- de aard van het beestje (=het karakter van iemand)
- de admiraal heeft geschoten. (=de gastheer heeft het sein gegeven te gaan eten.)
- de baard in de keel hebben (=overgang van kinderstem naar volwassen stem)
- de bal aan het rollen brengen (=de aanzet geven)
- de berg heeft een muis gebaard (=ondanks de grote beloften is er vrijwel niets van terecht gekomen)
- de boel in het honderd sturen (=in de war maken/verstoren)
- de boer eet vis als het spek op is (=je moet tevreden zijn met wat je hebt)
- de boer op de bok liet de teugels vieren, het paard kende zelf de weg wel. (=je moet niet doen alsof je de beste bent, iemand anders weet ook wel wat)
- de bokken van de schapen scheiden (=de goeden van de kwaden scheiden)
- de bokkenpruik op hebben (=slecht gehumeurd zijn)
- de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
- de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
- de boter en de kaas te dik gesneden hebben (=te veel verteerd hebben)
- de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
- de broek lappen en het garen toegeven (=er veel verlies aan overhouden)
- de broodkruimels steken hem (=hij kan de welstand niet dragen)
- de centen dansen hem in de zak. (=hij kan niets sparen)
- de daad bij het woord voegen (=onmiddellijk doen wat men zegt te zullen doen)
- de dader ligt op het kerkhof (=de schuldige is niet te vinden)
- de dans om het gouden kalf (=de strijd om rijk te worden)
- de deugd zit in het midden. (=gezegd als iemand tussenin zit)
- de domste boeren hebben de dikste aardappelen (=met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
- de dood op het lijf jagen (=schrik aanjagen)
- de dood wil een oorzaak hebben. (=het is belangrijk onm te weten waarom iets gebeurt)
- de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
- de drie h s op de rug hebben (=vast zitten, niet weg kunnen komen)
- de duiten bijten hem (=hij verspilt zijn geld)
- de duivel op het kussen binden (=met iedereen raad weten)
- de één mag een paard stelen, de ander mag niet over het hek kijken. (=sommigen mogen alles, anderen mogen niets)
- de een scheert schapen, de ander varkens (=het is ongelijk verdeeld in de wereld)
- de geest is gewillig maar het vlees is zwak. (=geef niet toe aan verboden verleidingen)
- de gelegenheid bij de haren grijpen (=de kans niet laten voorbijgaan)
- de gelegenheid maakt de dief (=men laat zich gemakkelijk verleiden door een goede gelegenheid)
- de gelegenheid te baat nemen (=van de gelegenheid gebruik maken)
- de groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=de machtige lui leven op kosten van de gewone man)
- de haan en de vos hebben elkaar te gast (=twee bedriegers zijn steeds op hun eigen voordeel uit)
- de haan is de baas als de hen niet thuis is. (=de vrouw is de baas in huis, ook al vindt de man van niet)
- de hakken in het zand zetten (=zich opstellen als felle tegenstander van een voorstel of ontwikkeling, zonder de bereidheid te zoeken naar positieve aspecten of naar compromissen)
- de handen vrij hebben (=tijd hebben om iets te doen)
- de haren uit het hoofd trekken (=enorm veel spijt hebben)
- de hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
- de hel breekt los (=de ruzie is begonnen.)
1930 betekenissen bevatten `he`
- gezouten scherts (=bijtende scherts)
- de lakense bril erbij opzetten (=bijzonder scherp toekijken)
- in het oog houden (=binnen het gezichtsveld houden)
- in het oog hebben (=binnen het gezichtsveld zijn)
- als Hollands welvaren (=blakend van gezondheid)
- de ogen verblinden (=blind maken voor de waarheid)
- in februari klagen de boeren het minst. (=boeren klagen altijd maar februari heeft de minste dagen om in te klagen (grapje))
- de aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
- steen en been klagen (=constant en hevig klagen. (klagen bij alles wat heilig is, bv. botten (=been) in een graf (=steen)))
- voeling hebben (=contact hebben)
- daar geeft de lommerd geen geld op (=daar heb ik niets aan - dat geloof ik niet)
- dat kan het paard niet trekken. (=daar heb ik onvoldoende geld voor)
- het is daar armoe troef (=daar heerst grote armoede)
- daar groeit het gras in de straten (=daar is het erg saai)
- daar is vlees in de kuip (=daar is het goed)
- visnamig (=daar is het goed vissen, er zit daar veel vis)
- daar zijn de daken met vlaaien bedekt (=daar is men rijk / Daar heeft men overvloed)
- achter de schermen (=daar waar men het niet ziet)
- dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
- daar zit `em de kneep/knoop (=daar zitten de moeilijkheden/problemen)
- je zegeningen tellen (=dankbaar zijn voor wat men heeft.)
- mijn verstand staat er bij stil (=dat begrijp ik helemaal niet)
- dat snijdt geen hout (=dat heeft er niets mee te maken; het bewijst niets)
- dat is lariekoek (=dat heeft iemand verzonnen)
- dat zijn aambeien met slagroom (=dat heeft niets met elkaar te maken)
- zo gaan er twaalf in het dozijn (=dat heeft weinig waarde)
- zo gaan er dertien in een dozijn (=dat heeft weinig waarde, is niet zo bijzonder)
- dat is nog van voor de zondvloed (=dat is al heel oud)
- dat staat als een paal boven water (=dat is een absolute zekerheid)
- na mij de zondvloed (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
- dat moet je niet uitpoetsen/uitvlakken (=dat is ernstiger dan het lijkt)
- dat is geen punt. / Daar maken we geen punt van (=dat is geen probleem. / Dat is helemaal geen argument)
- lach als je begraven wordt (=dat is geen reden om te lachen)
- dat is andere koek (=dat is heel iets anders)
- dat gaat je niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traumatische ervaring))
- dat zijn de Alfa en de Omega. (=dat is het begin en het einde.)
- dat is het begin van het einde (=dat is het begin van iets dat uiteindelijk verkeerd zal aflopen)
- dat is een ver-van-mijn-bedshow (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
- dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd)
- dat is kaviaar voor hen (=dat is onbereikbaar voor hen)
- dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel klein beetje)
- dat is ook geen heksen (=dat is wel heel gemakkelijk)
- iets op je lever hebben (=dat je nog iets wilt uiten, dat er iets is dat je heel erg dwars zit en dat gezegd moet worden)
- dat groeit uit het raam (=dat kan men niet geheim houden)
- dat staat niet in zijn woordenboek (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord)
- dat komt als mosterd na de maaltijd (=dat komt op een moment dat het geen nut meer heeft)
- dat past als een vuist in een oog (=dat past helemaal niet)
- dat scheelt een slok op een borrel (=dat scheelt heel wat)
- meer geluk dan wijsheid. (=dat was geluk hebben.)
- dat houdt me op de been (=dat zorgt ervoor dat ik door kan blijven gaan; daardoor houd ik het vol)
50 dialectgezegden bevatten `he`
- hè veegtter zien botte aan (=hij trekt het zich niet aan) (Opglabbeeks)
- hè vuul van ze klùtche (=hij viel bewusteloos) (Tongers)
- he werkt oppe put (=Hij is bovengronds mijnwerker) (Koersels)
- hè wies himmòl nie waor ie waar (=hij wist helemaal niet waar hij was) (Tilburgs)
- he wil poezen, mer 't mel in de moond holn. (=Hij wil blazen, maar het meel in de mond houden (dus twee dingen tegelijk doen, wat niet kan) .) (Twents)
- hè wit nie waor zunne kòp stao (=hij is er met zijn hoofd niet bij) (Tilburgs)
- hè wônt tegen os over (=hij woont tegenover ons) (Heldens)
- he wouer graad dom genog um bie de pliese te goun. (=Hij was wel erg dom.) (Nuths)
- hè za oe oew part geeve (=hij zal je je deel geven) (Tilburgs)
- Hé zal moetn toe zijn om azuen schure uit de dessen. (=Hij zal van goeden huize moeten zijn om die vrouw aan haar trekken te laten komen.) (Evergems)
- hè zi-g-ut meej unne laag (=hij zei het met een lach) (Tilburgs)
- he ziet er mar verhoepdjakt eit (=Hij is slordig gekleed) (Walshoutems)
- Hè zit achter de kuizen. (=Hij is patiënt van Brinkgreven.) (Deventers)
- hè zit wat mut dich in (=Hij is begaan met U) (Opglabbeeks)
- hè zoog èt laaie-God oaf! (=hij had het zwaar te verduren) (Tongers)
- hee gaoperd, kunde nie öt oe dôppe kèèke! (=hé sufferd, kun je niet uitkijken!) (Tilburgs)
- hee slaagt noar zien va - he hef't slag van zien vaar. (=hij lijkt op zijn vader) (Twents)
- Hélaba (=Hé gij daar) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- heppie/hebbie/ he jij (=heb jij) (Utrechts)
- hij hé giene noagel vur in zijn gat te kraun (=hij heeft geen geld) (Sinnekloases en niekaarks)
- hij he tege de wind in gebeird (=iemand met zomersproeten) (Londerzeels)
- Hij hé zij leif uitgespogen (=Hij heeft veel overgegeven) (Bevers)
- ielëk haajske hè ze kraajske (=waar mankeert niets) (Munsterbilzen - Minsters)
- Ik hé de boks nog nie an of ge lupt al te maouwe (=Ik heb mezelf nog niet aangekleed of je loopt al te zeuren) (Gemerts)
- ik he mun ouwelui netjes oan het end gebrocht (=ik heb mijn ouders in hun laatste levensfase verzorgd) (Zaltbommels)
- ik he volluk (=ik heb bezoek) (Geffes)
- ik heb nog zo geseet hè (=ik heb je gewaarschuwd) (Gils)
- j'ee nog ool 'n embesuur, he (=hij kan veel drinken) (Harelbeeks)
- joeng mètskë, zwijg mich toch stillëkës ëstil (=luister eens hier, hé) (Munsterbilzen - Minsters)
- Jumme hé das beschee'e za (=Dat vind ik niet leuk) (Hulshouts)
- k goa eu ne schup in eu iekels geeve (=ik ga u een schop in uw kloten geven hé) (Gents)
- k-kèèk nie op unnen bos peeje, a-k ut lôof mar hè (=ik kijk niet zo fijn, als het maar redelijk is) (Tilburgs)
- K’at nog gezee he (=Ik had het nog gezegd hè) (Lils)
- keppukkik geen ezelken da gaalt schit zulle (=ik heb zoveel geld niet hé) (Sint-Niklaas)
- liefde és blind, zaag de boer, ên hé poende ze vêrke (=alles moet kunnen) (Bilzers)
- loat noar dij kiek'n (=hé jong laat je ombouwen) (Westerkwartiers)
- men ouders slapen beneden he (=zal het gaan?) (West-Vlaams)
- Merie haat zenen hond vas, seffes bitter mich, ich zèg et tich, honderd frang vür mich (=als hij me bijt, hé (kinderrijmpje) ) (Munsterbilzen - Minsters)
- mèt zau e waer raengert et gieën (gan) (=he hoeft niet meer veel om te gaan regenen) (Munsterbilzen - Minsters)
- Moi hè , Tjouw. (=Tot ziens) (Hoogeveens)
- Nen dikke merci hé (=Hartelijk bedankt) (Grobbendonks)
- nong he jie ut ehdoan (=nou heb jij het gedaan) (Spakenburgs)
- Nou goamen ne gank he (=Wij zijn aan 't overdrijven) (Overmeers)
- Oep e gemak hè (=Wees rustig) (Herentals)
- om enne teliere kinne moste loestere wie he euver de angere kalt (=De spreker ziet zijn eigenschappen in de beoordeling van de anderen.) (nuths)
- ou noe us op mie je he zie-ever (=stop met je gezeur) (Zeeuws)
- pas op daste dich nie mieg moks (=niet te hard werken, hé (laconiek) ) (Bilzers)
- skon (=mooi he) (Boekels)
- tes zuust den tram en den trein dieter nog nie op gereen hé (=een vrouw die al zeer veel mannen heeft gehad) (Wetters)
- wa isse lief he (=zij is lief) (eindhovens)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen