Spreekwoorden met `he`

Zoek


1672 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `he`

  1. altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  2. altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfde herhalen)
  3. andere heren andere wetten (=nieuwe bazen willen nieuwe regels)
  4. aprilletje zoet, heeft nog wel eens een witte hoed (=in het begin (de hoed) van april kan het nog wel eens sneeuwen)
  5. arbeider in de wijngaard des heren (=geestelijk beroep (priester,dominee) uitoefenend)
  6. baat het niet, schaadt het niet (=iets kan helpen, maar als het niet helpt zal het geen problemen geven)
  7. belofte is een hemd der dwazen (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig maken)
  8. beminnen als het licht van zijn ogen (=erg graag zien)
  9. beproeft alle dingen en behoudt het goede. (=weet wat er allemaal is, maar doe alleen de goede dingen)
  10. beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald (=je kan beter iets voortijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat)
  11. bij de neus hebben (=iets wijsmaken)
  12. bij elk heilig huisje aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  13. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  14. bij het walletje langs (=op het nippertje, zuinig)
  15. bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
  16. bij schering en inslag gebeuren (=erg vaak gebeuren)
  17. bitter in de mond maakt het hart gezond (=ook wat minder aangenaam is, kan gezond of goed zijn)
  18. borgen is geen kwijtschelden (=uitstel is geen afstel)
  19. bot gegeten hebben (=dom geboren zijn en zo blijven)
  20. boter op je hoofd hebben (=zelf ook schuldig zijn)
  21. botertje aan de boom zijn / het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  22. boven het hoofd groeien (=onoverkomelijk worden)
  23. boven het hoofd hangen (=te wachten staan)
  24. boven zijn theewater (=dronken)
  25. brave hendrik (=een persoon die op overdreven wijze de regeltjes volgt)
  26. brede schouders hebben (=veel kunnen verdragen)
  27. buiten hem om lopen (=hij heeft er geen invloed over)
  28. bulken van het geld (=geld in overvloed hebben)
  29. daar groeit het gras in de straten (=daar is het erg saai)
  30. daar hangt het mes uit (=men durft daar een grote uitdaging aan te gaan)
  31. daar heb je het gedonder in de glazen (=daar begint de miserie)
  32. daar helpt geen lievemoederen/moedertje lief aan (=niets helpt, ook vriendelijke woorden niet)
  33. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  34. dat groeit uit het raam (=dat kan men niet geheim houden)
  35. dat heb ik nog nooit op een klomp horen spelen (=dat is al te gek)
  36. dat is algabra voor hem. (=daar snapt hij niets van.)
  37. dat is alleen voor pater en mater en niet voor het hele convent (=dat is voor jou te hoog gegrepen)
  38. dat is een waarheid als een koe (=dat is overduidelijk waar)
  39. dat is het begin van het einde (=dat is het begin van iets dat uiteindelijk verkeerd zal aflopen)
  40. dat is het geheim van de mis (=zo zit de zaak in elkaar.)
  41. dat is het geheim van de smid. (=dat specifieke kennis die alleen vakmensen kennen)
  42. dat is het hele eieren eten (=zo zit de zaak in elkaar.)
  43. dat is kaviaar voor hen (=dat is onbereikbaar voor hen)
  44. dat is ook geen heksen (=dat is wel heel gemakkelijk)
  45. dat is schering en inslag (=dat komt bijzonder vaak voor [onderdelen van een weefgetouw])
  46. dat is zo breed als het lang is (=dat verandert niets aan de zaak)
  47. dat kan al het water van de zee niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
  48. dat kan het paard niet trekken. (=daar heb ik onvoldoende geld voor)
  49. dat ligt hem in zijn mond bestorven (=daar spreekt hij veel over)
  50. dat muisje heeft een staartje. (=er zullen nog problemen komen)

1930 betekenissen bevatten `he`

  1. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  2. geen bericht is goed bericht (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  3. gissen doet missen (=als je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout)
  4. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  5. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  6. als de kan vol is, loopt zij over. (=als je te veel drinkt komt het er weer uit)
  7. meeuwen op het land, onweer aan het strand. (=als meeuwen het binnenland intrekken omdat er slecht weer op zee is)
  8. een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=als men een geschenk krijgt, dan moet men niet zoeken of er hier of daar wat aan mankeert.)
  9. wat men afdingt is het eerst betaald (=als men het goedkoop krijgt, is het vlugger betaald)
  10. honger maakt rauwe bonen zoet (=als men honger heeft, smaakt alles)
  11. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  12. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico`s blijft nemen, gaat het een keer mis)
  13. men moet de schapen scheren maar niet villen (=als men uit hebberigheid de inkomstenbron opoffert heeft men niets meer voor in de toekomst)
  14. in zijn achterhoofd hebben (=als reserve klaar hebben)
  15. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
  16. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  17. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  18. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  19. semper idem (=altijd weer hetzelfde)
  20. op de magerste paarden bijten de dazen. (=arme mensen hebben vaak pech)
  21. als de armoede binnenkomt vliegt de liefde het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendschappen en relaties)
  22. in de rats zitten (=bang zijn of angst hebben / in de problemen zitten)
  23. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  24. breek me de bek niet open (=begin daar maar niet over, want daar kan ik heel veel negatieve dingen over vertellen)
  25. waar twee kijven hebben twee schuld (=beide personen hebben schuld als ze ruzie met elkaar maken)
  26. de deksel van de pot aflichten. (=bekendmaken wat voorheen verborgen was)
  27. gewicht hechten aan (=belang hechten aan)
  28. van je buik een afgod maken (=belang hechten aan lekker eten en drinken)
  29. heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan wordt het alleen maar erger)
  30. van de ratten besnuffeld/gebeten zijn (=ben je nu helemaal gek!)
  31. het tij wacht op niemand. (=benut kansen voor het te laat is)
  32. de toon aangeven (=bepalen welke richting het op gaat)
  33. onder dak zijn (=bescherming genieten - behoren bij)
  34. beter een half ei dan een lege dop (=beter iets dan helemaal niets)
  35. beter onbegonnen dan ongeeindigd (=beter niet beginnen als men het niet kan afwerken)
  36. geen slapende honden wakker maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  37. om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  38. iemand iets heten liegen (=beweren dat iemand gelogen heeft)
  39. aan het (sleep)touw houden (=bezig houden / aan het lijntje houden)
  40. per fas et nefas (=bij al wat heilig is)
  41. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  42. aan het laatje zitten (=bij de bron zitten / geld hebben)
  43. in andermans weide lopen de vetste koeien. (=bij een ander lijkt het altijd beter)
  44. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
  45. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  46. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  47. bij de tekst blijven (=bij het oorspronkelijke plan blijven)
  48. waar er twee ruilen moet er een huilen (=bij het ruilen is de een altijd beter af dan de ander)
  49. nood breekt wet (=bij moeilijke omstandigheden is er meer geoorloofd)
  50. op je laatste benen lopen (=bijna niet meer kunnen van vermoeidheid)

50 dialectgezegden bevatten `he`

  1. he hit in men kuul gescheten (=Hij heeft mij een stevige hak gezet) (Koersels)
  2. he hit mich tege men kaar gereen (=Hij heeft mij misnoegd) (Koersels)
  3. hè hò niks (=hij had niets) (Tilburgs)
  4. hè hò te veul pertènsies (=hij was te veeleisend) (Tilburgs)
  5. hè hò zunèège ongaans gegeete (=hij had zoveel gegeten dat hij misselijk werd) (Tilburgs)
  6. hè hòj ut nie gedòcht (=hij had het niet gedacht) (Tilburgs)
  7. hè is aardig duur de tek gegange (=hij ziet er de laatste tijd ziek uut) (Opglabbeeks)
  8. hè is lam (=hij is dronken) (Haags)
  9. hè is neet min (=hij is tot zeer veel in staat) (Opglabbeeks)
  10. he is nog neet langs smeets bakkes (=hij is er nog niet mee klaar) (Nuths)
  11. he is vôr d'n duvel nie bang (=Hij is voor de duivel niet bang) (brabants)
  12. he is zoe lomp as d' achterste van e vèrreke (=Hij is erg dom) (Koersels)
  13. Hè je je harses op 't besteebord laete legge (=Ben je gek geworden) (Hoeksche Waards)
  14. Hè je vaok? (=heb je slaap?) (Hoeksche Waards)
  15. he jie et al ehoord Hie is zo dood eblevuh (=heb je het al gehoord Hij is zo dood gebleven.) (Spakenburgs)
  16. hé jij een makke Duutser (=je hebt een blunder begaan) (Arnhems)
  17. hè kèkt nie op unnen bos peejkes (=hij kijkt niet zo nauw) (Tilburgs)
  18. he kent er de kloatn van hie (=je kent er niets van) (Izegems)
  19. he kiek sich 't nog ins aa. (=Hij weet het nog niet) (Nuths)
  20. he klapt oppe letter (=Hij praat algemeen Nederlands) (Koersels)
  21. hè klot zôo mar aon (=hij doet maar wat) (Tilburgs)
  22. hè koom mèt de sjuntram (=hij kwam tevoet) (Tongers)
  23. hè kos nie hèrs òf geens (=hij kon geen kant meer op) (Tilburgs)
  24. hè kos ut hillemòl allêeneg (=hij kon het helemaal alleen) (Tilburgs)
  25. Hè krèègt gin blèèn op zun tong van ut praote. (=Hij is wel erg zwijgzaam.) (Tilburgs)
  26. Hé kump op zen vùtsels af (=Hij komt stilletjes dichter) (Brustems)
  27. hé lange, ésset kaad doë boëve (=jij bent me toch een lange slungel) (Bilzers)
  28. he lauw smoezen (=tegen niemand vertellen) (Nijmeegs)
  29. hè leipterbiej wiej eine bing (=hij loopt er onverzorgd bij) (Opglabbeeks)
  30. he lie'et nao (=hij wordt oud.) (Nuths)
  31. he lie'et zich get opschwenzen (=Hij laat zich opjagen.) (Nuths)
  32. hè liep toepertoe hèrs èn geens (=hij liep alsmaar heen en weer) (Tilburgs)
  33. hè lopt as unnen òssestaawer (=hij loopt wel erg moeilijk) (Tilburgs)
  34. hè lòt aander meense d-aase ötkrööje (=hij laat anderen het vuile werk doen) (Tilburgs)
  35. he makt mig miene zeik ne lauw (=hij maakt mij niet bang) (Budels)
  36. hè môog ur nie bè zèèn (=hij mocht er niet bij zijn) (Tilburgs)
  37. hè naam unne ramscheut èn ge zaagt um nie mir. (=hij nam een vliegende aanloop en je zag hem niet meer.) (Tilburgs)
  38. hè nêep un ugske toe (=hij deed een oogje dicht) (Tilburgs)
  39. he pist sich self oaver'n bokse hen; he'j mig sich oaver ziene bokse (=Hij heeft zichzelf ermee) (Twents)
  40. hè reej um verèkkes (=hij sprong uit zijn vel van kwaadheid) (Tilburgs)
  41. hé rijdt op zen grote steke (=hij rijdt op een grote versnelling) (Kalkens)
  42. he s een depke (=Hij is klein van gestalte) (Koersels)
  43. hè scheej urööt (=hij hield ermee op) (Tilburgs)
  44. he sjoert zich de kloate (=hij voert geen stik uit) (Susters)
  45. hè stoent do wai ne kraaitheilige (=hij stond daar onbeweeglijk) (Tongers)
  46. hè ston al vruug òn zun pèpke te lörreke (=hij stond al vroeg aan zijn pijpje te zuigen) (Tilburgs)
  47. he stopt is me aven achterklap (=tegen iemand die een windje laat) (Ransts)
  48. he swa (=Goedendag mijn waarde vriend) (Achterhoeks)
  49. he tik neet gans richtig (=hij heeft ze niet allemaal op een rijtje) (Susters)
  50. hè trok zèn chore (ook: choor) - of: assèle op. (=Hij haalde zijn schouders op.) (Overrepens)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen