deugen

werkw.
Uitspraak:  [ˈdøxə(n)]
Vervoegingen:  deugde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gedeugd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) goed zijn, in orde zijn
Voorbeeld:  `Die fiets deugt niet. Ik kan er niet mee wegrijden.`
niet willen deugen  (onaangepast gedrag vertonen) `Op school wilde hij niet deugen, maar nu heeft hij een goede baan.`

2)
deugen voor (een vak)  (geschikt zijn voor) `Zou ik niet deugen voor leraar?`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
conveniëren passen uitkomen

Intensiveringen
Hoe kun je deugen krachtiger uitdrukken?
voor geen cent deugen;

3 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik deugde, heb gedeugd), braaf-, deugdzaam zijn; dienstig zijn tot (iets); niet -, zich slecht gedragen, een slec...
  2. 1) Betrouwbaar zijn 2) Braaf zijn 3) Conveniëren 4) Geschikt zijn 5) Geschikt zijn voor 6) Geschikt zijn voor iets 7) Goed in orde zijn 8) Goed oppassen 9) Goed zijn 10)...
  3. goed zijn Jaar van herkomst: 1240 (Bern. )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
deugen (geschikt zijn, juist zijn; oppassend zijn)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 95% van de Vlamingen het woord `deugen`.