deugen

werkw.
Uitspraak:  [ˈdøxə(n)]
Vervoegingen:  deugde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gedeugd (volt.deelw.)

1) goed zijn, in orde zijn
Voorbeeld:  `Die fiets deugt niet. Ik kan er niet mee wegrijden.`
niet willen deugen  (onaangepast gedrag vertonen) `Op school wilde hij niet deugen, maar nu heeft hij een goede baan.`

2)
deugen voor (een vak)  (geschikt zijn voor) `Zou ik niet deugen voor leraar?`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
conveniëren passen uitkomen

Intensiveringen
Hoe kun je deugen krachtiger uitdrukken?
voor geen cent deugen;

2 definities op Encyclo
  • goed zijn Jaar van herkomst: 1240 (Bern. )
  • 1) Betrouwbaar zijn 2) Braaf zijn 3) Conveniëren 4) Geschikt zijn 5) Geschikt zijn voor 6) Geschikt zijn voor iets 7) Goed in orde zijn 8) Goed oppassen 9) Goed zijn 10)...
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    deugen (geschikt zijn, juist zijn; oppassend zijn)