I de pas

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [pɑs]
Verbuigingen:  pas|sen (meerv.)

1) stap
Voorbeeld:  `kleine pasjes nemen`
pas op de plaats maken  (niet verder komen)

2) officieel bewijs dat je bent wie je bent, meestal met een pasfoto erop
Voorbeelden:  `Het rijbewijs is tegenwoordig een pasje en niet meer dat flodderige roze boekje.`,
`paspoort`,
`bankpasje`,
`bezoekerspas`,
`toegangspasje`
Synoniem:  identiteitsbewijs

3)
Dat geeft geen pas!  (dat hoort niet)

4)
van pas komen  (op het juiste moment beschikbaar zijn)


II pas

bijwoord
Uitspraak:  [pɑs]

1) onlangs
Voorbeeld:  `pas geverfd`
Synoniem:  kortgeleden

2) niet eerder of groter, of meer dan...
Voorbeelden:  `het toernooi is pas volgende week`,
`Ze zijn pas twee weken getrouwd.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanstonds bankpas bergpas betaalpas daarnet daarstraks dadelijk identiteitsbewijs juist kortelings kortgeleden laatst laatstelijk laissez-passer meteen net nog maar onlangs op maat paspoort recentelijk schielijk schrede stap straks waterpas zo-even zojuist zonet

Spreekwoorden en zegswijzen
• te/van pas komen (=iets goed kunnen gebruiken)
• te pas en te onpas. (=steeds opnieuw, of het nu zin heeft of niet.)
pas uit de dop komen (=maar pas ergens aan deelnemen)
pas op de plaats maken. (=geen voortgang maken. Geen groei of ontwikkeling doormaken.)
• in iemands kraam te pas komen (=iets wat iemand nodig had)
Toon alle 13 spreekwoorden die pas bevatten

Taaladvies
Deze schoenen passen mij niet / Ik pas deze schoenen niet: Mag je zeggen Ik pas deze schoenen niet als je bedoelt dat de schoenen niet goed om de voet sluiten?

18 definities op Encyclo
  1. Spreekwoorden: (1914) Pas. Het znw. ‘pas’ (lat. passus; fr. pas; mnl. pas, schrede, stap, voetspoor, weg) komt in verschillende uitdrukkingen voor; o.a. in te...
  2. Spreekwoorden: (1914) In de pas staan (of zijn) d.w.z. in de gunst, in den geur, in de kas staan (zie o.a. C. Wildsch. III, 276; Brieven, 177; Harreb. I, 383: bij iemand ...
  3. lengtemaat, 1 pas = 2,5 voet, pas wordt ook als gemene pas, schrede en tree omschreven, landmeterpas, -tree = 2 gemene pas = 5 voet
  4. Personen Alarmeringssysteem
  5. vaarvergunning.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met pas:
pas aanpas afpas bijpas inpas oppas toepasbustepascalPasenpasfotopasgeborenpasgeborenepashokpashouderpasigrafiepasjesregelingpasjoetPasjtoepaskamerpaskamers
Toon alle woorden die beginnen met pas

Deze woorden eindigen op pas:
kompaslooppasoppascadeaupaspinpaspoespaskarpaszwembadpasbejaardenpaschippasdanspasganzenpasreispasbetaalpasbankpasscheepskompasstandaardkompasgyrokompaskieskompaschauffeurspas
Toon alle woorden die eindigen op pas

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. pas (bewijsdocument)
  2. pas (deel van een vrouwenmuts)
  3. pas (geschikt tijdstip, rechte maat, het behoorlijke)
  4. pas (kortgeleden; nauwelijks)
  5. pas (stap; smalle doorgang)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `pas` kennen.