het schip

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [sxɪp]
Verbuigingen:  schepen (meerv.)

vervoermiddel waarmee je kunt varen
Voorbeelden:  `passagiersschip`,
`zeeschepen`
Synoniem:  grote boot
het schip in gaan  (financieel nadeel ondervinden) `Ze zijn voor een paar duizend euro het schip ingegaan.`
schoon schip maken  (rommel uit het verleden opruimen om opnieuw te kunnen beginnen)
alle schepen achter je verbranden  (zorgen dat je niet terug kunt naar je oude omgeving)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aak boot bootje grote boot scheepje schuit schuitje stoomschip vaartuig

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn schip voert te grote zeilen. (=te veel geld uit geven)
• zijn schip is binnen. (=hij heeft zijn fortuin gemaakt.)
• tussen wal en schip geraken (=iets raakt per ongeluk verloren of zoek)
• tussen de wal en het schip geraken. (=in de knel komen.)
• schoon schip maken (=schulden betalen, de boel opruimen, na ruzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten rusten)
Toon alle 18 spreekwoorden die schip bevatten

22 definities op Encyclo
  1. •een groot vaartuig voor verplaatsing over water.
  2. de vrijwel altijd aan de westzijde gelegen romp van een kerk, eenbeukig of door in de lengterichting lopende arcaden onderverdeeld in middenschip en zijbeuken.
  3. De middenbeuk van een Romeinse basilica, ter ondersteuning van de zijbeuken. Dit zelfde deel van de christelijke basiliek, zich uitstrekkend van de ingang tot de apsis of...
  4. Hoofdruimte, romp van een kerk bestaande uit 1 of meer beuken
  5. Hoofdruimte van een kerk: middenbeuk met zijbeuken. Zie ook Kerkonderdelen.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met schip:
schipbreukschipbreukelingschipbreukelingenschipbreukenschipdeurschipperschipperdeschipperdenschipperenschippersschippert

Deze woorden eindigen op schip:
binnenschipkoopvaardijschipluchtschipidentiteitschipmoederschipweerschipspiegelschipkustschipdroge-ladingschipmotorvrachtschippassagiersschipkoelschipbinnenvaartschipruimteschipfluitschiplichtschipslavenschipbeunschipkaperschiptankschip

Herkomst volgens etymologiebank.nl
schip (vaartuig; deel van kerkgebouw)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `schip` kennen.