het schip

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [sxɪp]
Verbuigingen:  schepen (meerv.)

vervoermiddel waarmee je kunt varen
Voorbeelden:  `passagiersschip`,
`zeeschepen`
Synoniem:  grote boot
het schip in gaan  (financieel nadeel ondervinden) `Ze zijn voor een paar duizend euro het schip ingegaan.`
schoon schip maken  (rommel uit het verleden opruimen om opnieuw te kunnen beginnen)
alle schepen achter je verbranden  (zorgen dat je niet terug kunt naar je oude omgeving)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aak boot bootje grote boot scheepje schuit schuitje stoomschip vaartuig

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn schip voert te grote zeilen. (=te veel geld uit geven)
• zijn schip is binnen. (=hij heeft zijn fortuin gemaakt.)
• tussen wal en schip geraken (=iets raakt per ongeluk verloren of zoek)
• tussen de wal en het schip geraken. (=in de knel komen.)
• schoon schip maken (=schulden betalen, de boel opruimen, na ruzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten rusten)
Toon alle 18 spreekwoorden die schip bevatten

Taaladvies
Komt bij de spelling van het verkleinwoord het achtervoegsel aan het grondwoord schip vast, en wordt het dan schipje of scheepje? Zie scheepje / schipje

21 definities op Encyclo
  • reis, avontuur, winst. Of rampspoed, financiële zorgen.
  • Het gedeelte van de kerk waar de gemeente zich verzamelt, gewoonlijk het westelijke gedeelte, geflankeerd door zijbeuken.
  • van kerk Het schip van een kerk is het gedeelte tussen de viering en de westgevel (bij een georiënteerde kerk). Indien de kerk geen transept heeft, ligt de grens aan de...
  • 1> algemene term voor een vaartuig. [L> overzicht soorten.] 2> een vaartuig van redelijke omvang, voorzien van dekken. [LEES DIT] Vroeger vaak uitsluitend gebruikt voor m...
  • Hoofdruimte, romp van een kerk bestaande uit 1 of meer beuken
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met schip:
    schipbreukschipbreukelingschipbreukelingenschipbreukenschipdeurschipperschipperdeschipperdenschipperenschippersschippert

    Deze woorden eindigen op schip:
    beunschipbinnenschipbinnenvaartschipboorschipbulkschipcontainerschipcruiseschipdroge-ladingschipfluitschipidentiteitschipkaperschipkoelschipkoopvaardijschipkustschiplichtschipluchtschipmoederschipmotorvrachtschipoorlogsschippantserschip

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    schip (vaartuig; deel van kerkgebouw)