oplopen

werkw.
Uitspraak:  ɔplopə(n)]
Vervoegingen:  liep op (verl.tijd enkelv.)

1) hoger worden
Vervoegingen:  is opgelopen (volt.deelw.)
Voorbeelden:  `De kosten zijn flink opgelopen.`,
`oplopende koorts`,
`hoog oplopende ruzie`
Synoniem:  toenemen
De weg loopt hier een beetje op.  (de weg gaat hier omhoog)

2)
Vervoegingen:  is opgelopen (volt.deelw.)
oplopen met  (vergezellen) `een stukje met iemand oplopen`

3) (iets dat je niet wilt) krijgen
Vervoegingen:  heeft opgelopen (volt.deelw.)
Voorbeelden:  `een verkoudheid oplopen`,
`achterstand oplopen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bestijgen krijgen meelopen opdoen stijgen teruglopen (antoniem)

Taaladvies
Is hoog oplopen met in de betekenis van `(zeer) ingenomen zijn met` correct? Zie Hoog oplopen met / weglopen met / ingenomen zijn met / veel ophebben met

Intensiveringen
Hoe kun je oplopen krachtiger uitdrukken?
hoog oplopen;

6 definities op Encyclo
  • Het inhalen en voorbijlopen van een ander vaartuig; zie ook oploper, koerskruiser of tegenligger en vaarregels. Denk er aan dat schepen die naast elkaar varen door de "te...
  • Def.: een ander schip inhalen en voorbijvaren Toelichting: Als beide boten over dezelfde boeg liggen, moet de oploper uitwijken voor de langzamere boot.
  • •"iets ~": lopend naar boven gaan •in getal of hoeveelheid toenemen. •tweede betekenisomschrijving. •enz.
  • groter of hoger worden vb: mijn schuld is opgelopen tot 1000 gulden Tegenstelling: zakken het krijgen zonder dat je het weet vb: ik heb een vervelende ziekte opgelopen Sy...
  • 1> een ander vaartuig van achteren naderen. Vroeger sprak men ook van belopen. Het tegengestelde noemt men ontmoeten. Wanneer men het schip daarna passeert, dan spreekt m...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op oplopen:
    overhooplopenvooroplopen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    oplopen