leggen

werkw.
Uitspraak:  [ˈlɛxə(n)]
Vervoegingen:  legde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gelegd (volt.deelw.)

1) zorgen dat iets ergens ligt, of plaatsen
Voorbeelden:  `Leg de krant maar op tafel.`,
`tegels leggen`

2) (van dieren) (een ei) uit het lichaam laten komen
Voorbeelden:  `Tijdens de rui leggen ze helemaal niet.`,
`Een schildpad legt honderden eieren.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanbrengen aanleggen deponeren geplaatst neerleggen neerzetten ophouden met plaatsen stationeren wegleggen werk neerleggen zetten

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn oor te luisteren leggen (=informeren)
• zijn hoofd in de schoot leggen (=het opgeven)
• zijn boontjes op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen)
• op iedere slak zout leggen (=overal opmerkingen op maken)
• op het procrustesbed leggen (=grofweg inkorten)
Toon alle 46 spreekwoorden die leggen bevatten

Taaladvies
  1. Is het Hij legt lekker in de zon of Hij ligt lekker in de zon? Zie Leggen / liggen
  2. Hoe schrijf je het tweede woord in het kerstliedje `Hoe [leit] dit kindeken hier in de kou`: is het leidt, leit, lijdt of lijt? Zie Hoe leidt / leit / lijdt / lijt dit kindeken


5 definities op Encyclo
  • •doen liggen.
  • zó plaatsen dat het plat ligt vb: ik leg het boek op tafel
  • 1) Aanbrengen 2) Aanleggen 3) Deponeren 4) Doen liggen 5) Doen ontstaan 6) Dwars liggen 7) Eieren voortbrengen 8) Geplaatst 9) Maken 10) Neerleggen 11) Neervlijen 12) Nee...
  • doen liggen Jaar van herkomst: 1240 (Bern. )
  • Een jonge hen van ongeveer 18 weken oud, de leeftijd waarop de vogel kan beginnen te leggen. Je eerste ei kan dan toch nog wel vier weken op zich laten wachten.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op leggen:
    aanleggenafleggenbeleggenbijleggenblootleggenbootleggendoodleggendroogleggenlamleggenneerleggenomleggenonderleggenopleggenopzijleggenoverleggenstilleggenterugleggenuitleggenvastleggenverleggen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    leggen (doen liggen)