Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


52 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `leggen`

  1. aan alle kapelletjes aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  2. aan banden leggen (=de vrijheid beperken)
  3. aan de dag leggen (=vertonen)
  4. ad acta leggen (=als afgedaan beschouwen) (Latijn)
  5. bij elk heilig huisje aanleggen (=alle cafés bezoeken)
  6. botje bij botje leggen (=samen geld bijeen leggen om te betalen)
  7. de bijl aan de wortel leggen (=het kwaad in de oorsprong trachten uit te roeien)
  8. de hand op iets leggen (=ergens aan kunnen komen)
  9. de kaart leggen (=de toekomst voorspellen)
  10. de laatste hand aan iets leggen (=iets afmaken/voltooien)
  11. de lat hoog leggen (=moeilijk haalbare doelen stellen)
  12. de oude mens afleggen (=een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
  13. de sleutel op de doodskist leggen (=een erfenis weigeren)
  14. de vinger op de wond leggen (=precies aangeven waar het probleem zit)
  15. de zweep erop leggen (=afdrijven, opjagen)
  16. een bodem in de markt leggen (=een minimumprijs vastleggen)
  17. een kale kip kan nog leggen (=iemand die niets heeft, kan nog voor je werken)
  18. een knoop in zijn zakdoek leggen (=iets doen om ergens zeker aan herinnerd te worden)
  19. een pleister op de wonde leggen (=iets troostends aanbieden)
  20. een stok in de lenden leggen (=slaan)
  21. er een loodje op leggen (=er iets aan toevoegen)
  22. ergens een vouwtje bij leggen (=niet meer over spreken)
  23. geen strobreed in de weg leggen (=in geen enkel opzicht hinderen)
  24. gewicht in de schaal leggen (=een wezenlijk deel bijdragen)
  25. het bijltje erbij neerleggen (=ermee stoppen)
  26. het hoofd in de schoot leggen (=opgeven en er in berusten)
  27. het loodje (erbij neer)leggen (=overlijden)
  28. het masker afdoen/afleggen/afnemen (=zijn ware gezicht tonen)
  29. hutje bij mutje leggen (=ieder draagt bij voor het deel dat die kan)
  30. iemand de ijzers aanleggen (=iemand boeien of onder grote druk zetten)
  31. iemand geen haarbreed in de weg leggen (=iemand op geen enkele manier ergens mee hinderen of tegenhouden)
  32. iemand geen strobreed in de weg leggen (=niets doen om iemand tegen te houden of te belemmeren)
  33. iemand geen vingerbreed in de weg leggen (=iemand niets in de weg leggen , absoluut niet hinderen)
  34. iemand het vuur na aan de schenen leggen (=iemand onder druk zetten)
  35. iemand het zwijgen opleggen (=er met niemand over mogen praten en niemand iets mogen vertellen)
  36. iemand in de luren leggen (=iemand bedriegen of misbruiken)
  37. iemand op de pijnbank leggen (=iemand het moeilijk maken en daarmee dwingen iets te doen)
  38. iets aan banden leggen (=ervoor zorgen dat iets zich niet verder kan uitbreiden)
  39. iets op een procrustesbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
  40. in de as leggen (=(doen) afbranden)
  41. in de luren leggen (=beetnemen)
  42. in de watten leggen (=uitzonderlijk goed verzorgen)
  43. in mei leggen alle vogels een ei (=weerspreuk - aanduiding dat in mei het broedseizoen begint)
  44. je kaarten op tafel leggen (=laten weten over welke middelen je beschikt om iets gedaan te krijgen)
  45. op alle slakken zout leggen (=op alle onbelangrijke dingen commentaar hebben)
  46. op een goudschaaltje leggen/wegen (=heel voorzichtig afwegen)
  47. op het procrustesbed leggen (=grofweg inkorten)
  48. over de knie leggen (=een pak slaag geven)
  49. zich met de borst op iets toeleggen (=iets erg vlijtig beoefenen)
  50. zijn boontjes op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen)

14 betekenissen bevatten `leggen`

  1. in het vat gieten (=aanleggen)
  2. paal en perk stellen (=de grens leggen / een einde stellen aan)
  3. de plooien glad strijken (=de ruzie bijleggen)
  4. een bodem in de markt leggen (=een minimumprijs vastleggen)
  5. ruggespraak houden (=eerst ergens over moeten overleggen)
  6. een gladde tong hebben (=goed kunnen praten, het goed kunnen uitleggen)
  7. iemand geen vingerbreed in de weg leggen (=iemand niets in de weg leggen , absoluut niet hinderen)
  8. iets uit de doeken doen (=iets uitleggen)
  9. de koppen bij elkaar steken (=overleggen)
  10. botje bij botje leggen (=samen geld bijeen leggen om te betalen)
  11. Een ridder van het lui paard zijn (=steeds smoesjes verzinnen en de schuld buiten jezelf leggen)
  12. tekst en uitleg geven (=verantwoording afleggen)
  13. de wet stellen (=zijn wil opleggen)
  14. in der minne schikken (=zonder verder geruzie bijleggen)

Het dialectenwoordenboek kent 30 spreekwoorden met `leggen`

  1. Bilzers: èn dikskes doên (=in de luren leggen)
  2. Waregems: 'n p'rtietje koart'n (=een kaartje leggen (kaartspel))
  3. Maldegems: scheufke dees (=het loodje leggen)
  4. Mestreechs: iemes betuttelle (=iemand in de watten leggen)
  5. Zaans: Effies kloke (=Zijn oor te luisteren leggen)
  6. Lovendegems: streutjes leggen (=toenadering zoeken*)
  7. Kalkens: ne mutten leggen (=overgeven)
  8. Erps: een kosch leggen (=veel eten)
  9. Sint-Niklaas: 't bedde verschonen (=nieuwe lakens op het bed leggen)
  10. Merenaars: zijn duimen leggen (=zich overgeven)
  11. Waregems: oëger of mijn bijlke of 'k kappe in oi gat! (=hoger leggen (in kaartspel))
  12. Brakels: t'ès ne fijn' (=kan het goed aan boord leggen)
  13. Munsterbilzen - Minsters: moplag lègge, niemed zègge, koekle koekle hand èn hand, ich hüb mèr ée paor....enz (=zakdoek leggen)
  14. Veurns: an d' achterste tette leggen (=Minder goed bedeeld zijn)
  15. Merenaars: 't geldj onder de struik leggen (=niet betalen)
  16. Amsterdams: voor munt leggen (=op straat liggen)
  17. Drents: As de fles leeg is, zöt men de ziel. (=Dronken mensen leggen hun ziel bloot)
  18. Roeselaars: stikt er joen Latien nie in (=doe geen moeite (om het uit te leggen))
  19. Sint-Niklaas: kokkedein (=geluid dat hennen maken als ze een ei leggen)
  20. Sint-Niklaas: kokkedein (=het kakelen der hennen als ze een ei leggen)
  21. Sint-Niklaas: kisten (=het lichaam in de doodskist leggen en ze sluiten)
  22. Kinrooi: Dae gaer eier itj kan daodoor nog gein eier lègke! (=Die graag eieren eet kan daardoor nog geen eieren leggen!)
  23. West-Vlaams: Tès ol gin oar snien, (tès ol die splette leggen) (=Het is niet gemakkelijk)
  24. Drents: kaokeln is gien kuunst, maor eierleggen wal (=kakelen is geen kunst, maar eieren leggen wel -> makkelijker gezegd dan gadaan)
  25. Steins: Dao zouw ich waal 'ns muuske wille speele (=Daar zou ik graag mijn oren te luister leggen)
  26. Drents: haar op nummer leggen (=haren kammen op kalend hoofd)
  27. Waaslands: ge moet a bonen niet te week leggen (=je moet niet hopen)
  28. Roeselaars: kzoen ze gern ne ke up eurn rik willn leggen (=een vrouw zeer aantrekkelijk vinden)
  29. Urkers: wannaar kun je leggen. (=vraag aan zwangere vrouw.Wanneer verwacht je de baby)
  30. Lebbeeks: boint'ns: Zijn boint'ns tewiëk leggen op iet (=Zijn zinnen op iets zetten)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen