de bonk

zelfst.naamw. (m.)
Verbuigingen:  bonken
Verbuigingen:  bonkje

1) (onomatopee) een bonkend geluid.

2) een harde klont
Voorbeeld:  `Er zaten allemaal bonken in het beslag.`

3) (overdrachtelijk) een stevige kerel.
Voorbeeld:  `Wat een een bonk van een vent, kwam daar ineens door de deur.`

4) een grote knikker


Bron: WikiWoordenboek.

Synoniemen
brok brokstuk eind knook lomperik

7 definities op Encyclo
  1. •(onomatopee) een bonkend geluid. •een harde klont. •(overdrachtelijk) een stevige kerel.
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-en), schonk, grof stuk; figuurlijk oud paard; sta -! ~, dikke -, grove jongen. ~EN, bedrijvend werkwoord gelijkvloeiend (ik ...
  3. (Bargoens, 1914) leugen
  4. (bonk, bonkaarde, bonkveen) Vast, droog, zandig of siltig - kleiig veen, vormt de bovenlaag van veenvoorkomens en is ongeschikt voor turfbereiding. Zie ook dalgrond.
  5. 1) Been 2) Bink 3) Bot 4) Brok 5) Brokstuk 6) Dier 7) Dikke brok 8) Eind 9) Forsgebouwd man 10) Grof gebouwd mens 11) Grofgebouwd mens 12) Grofstuk 13) Groot en stevig pe...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met bonk:
bonkelaarbonktbonktebonkten

Deze woorden eindigen op bonk:
zeebonk

Herkomst volgens etymologiebank.nl
bonk (groot stuk; bot, been)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 96% van de Nederlanders en 91% van de Vlamingen het woord `bonk`.