houden

werkw.
Uitspraak:  [ˈhɑudə(n)]
Vervoegingen:  hield (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gehouden (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) hebben en bewaren
Voorbeeld:  `Ik hoef het boek niet terug te hebben, je mag het houden.`
Antoniemen:  afstaan, weggeven

2) vasthouden of vast blijven zitten
Voorbeelden:  `iemand bij de hand houden`,
`Het plakband is oud en houdt niet meer.`
Antoniem:  loslaten
voor je houden  ((iets) niet vertellen) `een geheim voor je houden`
niets binnen kunnen houden  (steeds moeten overgeven)

3) laten plaatsvinden of uitvoeren
Voorbeelden:  `een lezing houden`,
`Het congres wordt gehouden in Amsterdam.`

4) (dieren) verzorgen
Voorbeeld:  `kippen houden`

5)
het niet houden  (niet meer kunnen verdragen) `Ik houd het niet meer van de hoofdpijn.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanhouden aanzien achterhouden bedwingen beheren behouden beminnen bijhouden geen afstand doen van geven handhaven inhouden uithouden vasthouden

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn gemak houden (=niet teveel werk doen, niet kwaad worden)
• zich van het lijf houden (=van zich afhouden, niet aanvaarden)
• zich van de hals houden (=van zich afhouden, niet aanvaarden)
• zich van de domme houden (=doen alsof men van niets weet)
• zich op een afstand houden (=zich niet te veel met de zaak bemoeien)
Toon alle 46 spreekwoorden die houden bevatten

Taaladvies
  1. Hou(d) op, ik hou(d) daar niet van: Is hou op of ik hou daar niet van correct of moet het zijn houd op/ik houd daar niet van?
  2. Organiseren / houden van een congres: Is de zin Het congres wordt georganiseerd van 1 mei tot 3 mei correct, of moet het zijn: Het congres wordt gehouden van 1 tot 3 mei?
  3. Openhouden / houden / hebben: (een winkel -) Is een winkel openhouden in de betekenis van 'een winkel houden' correct?


8 definities op Encyclo
  1. zorgen dat het blijft vb: je mag die foto houden Synoniemen: behouden bewaren opslaan Tegenstelling: afdragen iets of iemand vasthouden vb: ze hielden elkaar bij de hand ...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] en ow. [onregelmatig] (ik hield, heb gehouden), in zijne magt hebben; iemand bij-; iets in de hand -, niet losla...
  3. zegt men 1) van vogels; b.v. zij houden daar: zij hebben daar hun nest; 2) wanneer het wild zoo vast blijft liggen, dat de hond er voor staan kan; 3) van wild, dat goed i...
  4. Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 de keten houden: de keten moet op den garenboom goed gespannen zijn; te dien einde, wordt zij bij het opboomen do...
  5. •niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen. •huisdieren verzorgen.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met houden:
houden aanhouden vanhouden voor

Deze woorden eindigen op houden:
aangehoudenaanhoudenachtergehoudenachterhoudenafgehoudenafhoudenbehoudenbeziggehoudenbezighoudenbijgehoudenbijhoudenboekgehoudenboekhoudenbovengehoudendeterministischverband houdendubbelboekhoudengeheimgehoudengehoudengereedgehoudenhuisgehouden

Herkomst volgens etymologiebank.nl
houden (niet afstaan)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `houden` kennen.