geven

werkw.
Uitspraak:  ['xevə(n)]
Vervoegingen:  gaf (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gegeven (volt.deelw.)

1) (iemand iets) in de hand leggen, ook als geschenk
Voorbeelden:  `iemand een hand geven als je elkaar begroet of om iemand te feliciteren`,
`iemand die jarig is een cadeau geven`
Antoniem:  krijgen
Synoniem:  aanbieden

2) (iemand iets van je) laten ondervinden of laten merken
Voorbeelden:  `iemand een kus geven`,
`iemand een klap op zijn hoofd geven`,
`je mening geven`,
`De conducteur gaf het sein om te vertrekken.`
niet thuis geven  (niet beschikbaar zijn of (positief) reageren als dat verwacht wordt)

3) (iets voor anderen) organiseren
Voorbeelden:  `een feestje geven`,
`Franse les geven`

4) opleveren
Voorbeeld:  `Het gedwongen ontslag van de directeur geeft een hoop onrust.`
Synoniem:  veroorzaken
Dat geeft te denken.  (dat maakt dat je denkt dat er misschien iets mis is)

5)
Dat geeft niet/niets/niks.  (dat is niet erg)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanbieden aangeven aanreiken afgeven bezorgen binnen gieten doen toekomen doneren geneesmiddel toedienen geneesmiddtoedienen hechten aan houden iemand iets toedienen ingeven lenen overgeven overhandigen reiken schenken toedienen toesteken verlenen verstrekken nemen (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• zoveel geven om iets als een boer om een kers (=er totaal niets om geven)
• zijn ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
• zij kunnen elkaar een hand geven (=zij bevinden zich in een vergelijkbare situatie)
• vol gas geven (=het zo snel mogelijk doen verlopen)
• tekst en uitleg geven (=verantwoording afleggen)
Toon alle 63 spreekwoorden die geven bevatten

5 definities op Encyclo
  • •overdragen van het bezit van iets aan iemand anders.
  • aanreiken, in zijn handen plaatsen vb: geef mij die schaal eens Tegenstellingen: nemen pakken aan iemand overhandigen die het mag houden vb: hij gaf mij een doos bonbons ...
  • Uit `De lagere vaktalen: Taal van post-, telegraaf- en telefoonpersoneel` 1914 een verbinding geven.
  • 1) Aanbieden 2) Aangeven 3) Aanreiken 4) Afgeven 5) Afstaan 6) Bezorgen 7) Cadeau doen 8) Doen toekomen 9) Doneren 10) Hechten aan 11) Houden 12) Ingeven 13) Inschenken 1...
  • aanreiken, verschaffen, schenken Jaar van herkomst: 901-1000 (WPS )
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met geven:
    geven omgeventgeventileerd

    Deze woorden eindigen op geven:
    aangegevenaangevenafgegevenafgevenbegevenblootgegevenblootgevendoorgegevendoorgevengegevenhergevenheruitgegevenheruitgeveningegeveningevenlesgegevenlesgevenmeegegevenmeegevennagegeven

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    geven (aanreiken, verstrekken)