fonkelen

werkw.
Uitspraak:  [ˈfɔŋkələ(n)]
Vervoegingen:  fonkelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gefonkeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

fel en beweeglijk licht geven
Voorbeeld:  `Sterren fonkelden aan de donkere hemel.`
Synoniemen:  flonkeren, schitteren, glinsteren,

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
blinken flikkeren flonkeren fonkeling glanzen glimmen glinsteren glitter schijnen schitteren schittering sprankelen stralen twinkelen

Intensiveringen
Hoe kun je met fonkelen een ander begrip versterken?
fonkelnieuw;

4 definities op Encyclo
  1. levendig glanzen Jaar van herkomst: 1812 (WNT )
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik fonkelde, heb gefonkeld), schitteren, blinken; zijne oogen fonkelden van vreugde. *...ING. v. het fonkelen. ...
  3. felle lichtjes uitstralen die bewegen vb: haar ring fonkelde in het donker Synoniemen: schitteren flonkeren glinsteren sprankelen
  4. 1) Blinken 2) Branden 3) Flikkeren 4) Flonkeren 5) Fonkeling 6) Glanzen 7) Glimmen 8) Glinsteren 9) Glitter 10) Gloeien 11) Levendig glanzen 12) Petilleren 13) Schijnen 1...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
fonkelen (levendig stralen of glanzen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 98% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `fonkelen`.