stralen

werkw.
Uitspraak:  [ˈstralə(n)]
Vervoegingen:  straalde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gestraald (volt.deelw.)

1) licht of warmte verspreiden natuurkunde
Voorbeelden:  `De sterren stralen aan de hemel.`,
`straalkachel`

2) er heel gelukkig uitzien
Voorbeeld:  `Ze straalde toen ze geslaagd was voor haar examen.`
Synoniemen:  glimmen, glunderen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afgaan blaken flikkeren fonkelen glanzen gloeien glunderen iets uitstralen licht schijnen licht uitzenden schijnen sprankelen twinkelen

7 definities op Encyclo
  1. licht of warmte uitzenden vb: de zon straalt aan de hemel heel gelukkig en blij kijken vb: zij straalde toen ze hoorde dat ze mee mocht niet slagen voor een examen vb: ik...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik straalde, heb gestraald), stralen schieten, schijnen; hare oogen straalden (blonken) van vreugde; [figuurlijk]...
  3. (Straal, Stralen, Ray, Bundel, Beam) In de volksmond spreekt men vaak van stralen en bundels. Een straal, zoals men meestal weergeeft met een lijn voorzien van een pijl, ...
  4. Uit `De lagere vaktalen: De vogelvangerstaal` 1914 het kan ook nog gebeuren dat de vogel met een kleinstraalken ziet. Dit heet stralen.
  5. •straling uitzenden. •licht weerkaatsen. •een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met stralen:
stralend

Deze woorden eindigen op stralen:
aardstralenbestralenrondstralenuitstralengritstralenx-stralenzandstralenzeikstralenzonnestralen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
stralen (zakken voor examen)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `stralen` kennen.