binden

werkw.
Uitspraak:  [ˈbɪndə(n)]
Vervoegingen:  bond (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gebonden (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) erom heen doen en vastmaken
Voorbeeld:  `een touw om een paal binden`

2) (vloeistof) dikker maken
Voorbeeld:  `gebonden sauzen en soepen`

3)
gebonden zijn aan  (beperkt zijn in je vrijheid door) `aan huis gebonden zijn door kleine kinderen`
zich niet willen binden  (geen verplichtingen ten gevolge van een relatie willen aangaan) `Ik vind je leuk, maar ik wil me niet binden.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bevestigen boeien boekbinden bundelen inbinden ketenen kluisteren knevelen knopen strikken vastbinden vastleggen vastmaken losmaken (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• op het hart binden (=met de grootste nadruk zeggen)
Naar de spreekwoorden

17 definities op Encyclo
  1. er omheen doen en vastmaken vb: hij bond het touw om de stapel kranten een gerecht dikker maken vb: ik bond de soep met bloem hem in zijn vrijheid beperken vb: mijn moede...
  2. Het dikker maken van een vloeistof ter verkrijging van een gebonden saus of soep
  3. 1. Een methode om de pagina`s van katernen of een publicatie samen te houden. 2. Het bindproces.
  4. Het dikker maken van een vloeistof ter verkrijging van een gebonden saus of soep.
  5. wanneer de jachtvogel het wild vangt en vasthoudt. - Schlagen. Lier
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met binden:
bindend

Deze woorden eindigen op binden:
aanbindenafbindendoorverbindenontbindenopbindenlosbindenombindenonderbindenvastbindenverbindenherbindendichtbindenaaneenbindenboekbindeninbinden

Herkomst volgens etymologiebank.nl
binden (vastmaken)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `binden` kennen.