strikken

werkw.
Uitspraak:  [ˈstrɪkə(n)]
Vervoegingen:  strikte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gestrikt (volt.deelw.)

1) zo knopen dat er een strik (1) ontstaat of een andere knoop die makkelijk losgaat
Voorbeelden:  `de veters van je schoenen strikken`,
`een stropdas strikken`

2) (iemand) op een handige manier overhalen om iets voor je te doen
Voorbeeld:  `Ik moet nog iemand strikken om de meubels voor me naar boven te sjouwen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aan elkaar binden aan elkaar knopen binden in de val laten lopen knevelen knopen overhalen vastbinden vastknopen vastmaken

2 definities op Encyclo
  1. er een strik in maken vb: kan Marijn al veters strikken? een stropdas strikken [hem op een bepaalde manier knopen]
  2. 1) Binden 2) Haken 3) Iemand zien over te halen 4) In een strik vangen 5) In een strop vangen 6) Jagen 7) Knevelen 8) Knopen 9) Lubben 10) Lussen 11) Met een strik bevest...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op strikken:
verstrikkenvalstrikken

Herkomst volgens etymologiebank.nl
strikken

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `strikken` kennen.