Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


13 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `werken`

  1. bij nacht en ontij (werken/zijn) (=wanneer anderen slapen)
  2. Een mens moet werken voor de brok en voor de rok. (=Je moet werken om te kunnen eten en kleding te kunnen kopen.)
  3. Eten dat je zweet en werken dat je het koud krijgt, dat zijn de waren. (=Slecht personeel. Uit de tijd dat meiden en knechts bij de boer in de kost waren.)
  4. in de hand werken (=ertoe bijdragen)
  5. je het apelazarus werken (=heel hard werken)
  6. Je kunt wel alleen eten, maar niet alleen werken. (=Men moet goed voor het personeel zijn.)
  7. loon naar werken krijgen (=loon krijgen dat in overeenstemming is met het gedane werk)
  8. werken als een molenpaard (=hard werken)
  9. werken als een paard (=zeer hard werken)
  10. werken als een paard. (=Hard werken)
  11. werken als een rode lap op een stier (=onmiddellijk erg kwaad maken)
  12. werken zolang het dag is (=werken zo lang iemand kan)
  13. zich uit de naad werken (=veel werken, zijn uiterste best doen)

71 betekenissen bevatten `werken`

  1. van de nacht een dag maken (='s nachts werken)
  2. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  3. om den brode doen (=alleen werken voor het geld en niet omdat het werk fijn/leuk is)
  4. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  5. aan de slag gaan (=beginnen te werken, starten)
  6. beter onbegonnen dan ongeeindigd (=beter niet beginnen als men het niet kan afwerken)
  7. zijn schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
  8. tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunnen samenwerken)
  9. een wig drijven tussen (=een splitsing of misverstand bewerken)
  10. een wigge drijven tussen (=een splitsing of misverstand bewerken)
  11. arbeiden als een galeislaaf (=erg hard werken)
  12. ergens op zitten zweten (=ergens moeizaam of langdurig aan werken)
  13. het ervan nemen (=ervan genieten - niet werken)
  14. handen aan het lijf hebben (=goed kunnen werken)
  15. Aardewerk is geen paardenwerk. (=Graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  16. poot-aan spelen (=hard doorwerken (om op tijd te zijn))
  17. Werken als een paard. (=Hard werken)
  18. werken als een molenpaard (=hard werken)
  19. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
  20. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen.)
  21. je het apelazarus werken (=heel hard werken)
  22. de laatste loodjes wegen het zwaarst (=het afwerken is vaak het lastigst)
  23. met onwillige honden is het slecht hazen vangen (=het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen)
  24. ieder moet zijn eigen kruis dragen (=ieder moet zijn eigen tegenslagen verwerken)
  25. een kale kip kan nog leggen (=iemand die niets heeft, kan nog voor je werken)
  26. iemand in het gareel slaan (=iemand dwingen voor je te werken, iemand aan het werk zetten)
  27. iemands geduld uitputten (=iemand op de zenuwen werken)
  28. iemand in de wielen rijden (=iemand tegenwerken om te zorgen dat het mis gaat)
  29. als een luis in iemands pels zijn (=iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken)
  30. iemand uit het zadel werpen (=iemand wegwerken, iemand in verlegenheid brengen)
  31. Een stok in het wiel steken (=Iets of iemand tegenwerken)
  32. er is geen land met hem te bezeilen (=je kan met hem niets aanvangen, omdat hij niet wil meewerken)
  33. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet (=je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het minste fout gaat)
  34. Een mens moet werken voor de brok en voor de rok. (=Je moet werken om te kunnen eten en kleding te kunnen kopen.)
  35. liever lui dan moe (=liever niet werken, het liever aan anderen overlaten)
  36. de lijn trekken (=luieren, niet voort werken)
  37. iemand aan het lijntje hebben (=meewerken met iemand)
  38. zoals men zaait zo zal men oogsten (=men krijgt loon naar werken)
  39. men moet roeien met de riemen die men heeft (=men moet werken met de middelen die men heeft)
  40. Ongelijke paarden trekken kwalijk. (=Mensen die teveel verschillen in kwaliteiten, werken vaak niet goed samen)
  41. Met hem kan men geen spies draaien (=Met hem valt niet samen te werken)
  42. met iemand breken (=met iemand niet meer verder werken, leven)
  43. nieuwe messen snijden scherp (=met iets (iemand) nieuws is het aangenaam werken)
  44. met onbevaren volk is het slecht zeilen (=met onervaren mensen is het moeilijk werken)
  45. niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
  46. op salet zitten (=mooi aangekleed zijn en niet werken)
  47. van dik hout zaagt men planken (=niet al te nauwkeurig of zorgvuldig werken)
  48. ergens geen brood in zien (=niet denken dat iets kan werken)
  49. je hebt luxe paarden en werkpaarden (=niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander)
  50. niet met iemand door één deur kunnen (=niet met iemand kunnen samenwerken (door verschillen in persoonlijkheid.))

Het dialectenwoordenboek kent 121 spreekwoorden met `werken`

  1. Werkendams: Kon su? (=Kende ze je nog?)
  2. Werkendams: Wa zede gij daor? (=Wat zei jij daar?)
  3. Antwerps: knoesten (=hard werken)
  4. Weerts: 'n Niêver wiêf en 'n niêver hin, bringe booter int vaat en ei-jer op d'n din (=Een hard werkende vrouw wordt gewaardeerd)
  5. Fries: bealchjen,gek dwan (=hard werken)
  6. Aalsters: zen kloeïten afdroïn (=werken (hard -))
  7. West-Vlaams: werken knie over elleboge (=hard werken)
  8. Vechtdals: gaank in de bokse (=door lopen/ werken)
  9. Sint-Katelijne-Waver: Zaane nikkel afdroêje (=Hard werken)
  10. Liedekerks: men ( of zen'n ) oebel afdroën (=hard werken)
  11. Zeeuws: over schooftied (=werken na het werk)
  12. Hulsters (NL): zain spaai afkuisen (=naar huis gaan, ophouden met werken)
  13. Geuls: get/eine urreges tusje gruffele (=iets/iemand ergens tussen werken)
  14. Oudenbosch: kheb meneige motte afbeule (=ik heb hard moeten werken)
  15. Westlands: hij heeft er krom voor gelegen. (=keihard voor iets werken)
  16. Werkendams: Hedde gij t aol geheurd? (=Heb jij het ook gehoord?)
  17. Werkendams: Wa motte gij van mijn? (=Wat wil je van me?)
  18. werkendams: Waar hedde gij uitgehongen?\r\nWaor ben de gij gewist? (=Waar ben jij geweest?)
  19. Werkendams: Motte gij un bakske koffie? (=Wil je een kopje koffie?)
  20. Veurns: werk'n knie over elleboge (=hard werken)
  21. Herentals: goa es een aveseerijzer halen (=je moet sneller werken)
  22. Munsterbilzen - Minsters: iemes koejenieëre (=iemand op de zenuwen werken)
  23. Vechtdals: an-ewarkt ween (=klaar zijn met werken)
  24. Westlands: goan/banen als een speer/jekko (=snel werken)
  25. Brabants: Ik ben afgewerkt (=Klaar met werken)
  26. Liempds: Zei'de afgewerkt (=Ben je klaar met werken)
  27. Mestreechs: get veur de koont klatse (=slordig werken)
  28. Deinzes: Ui kluudn' afdroai'n (=Hard werken)
  29. Hals: zan kluuten afdroie (=hard werken)
  30. Westerkwartiers: dat wordt eev'm zwitt'n (=dat wordt even zwaar werken)
  31. Munsterbilzen - Minsters: dae holt tich et hat aut -dae mok tich kepot (=die blijft je op je zenuwen werken)
  32. Westerkwartiers: die het luie evert op 'e rug (=die heeft een hekel aan werken)
  33. Munsterbilzen - Minsters: moete kretse vürter te koeëme (=hard moeten werken om het doel te bereiken)
  34. Lichtervelds: ge kunt gièèn pêird te loîpe besloan (=je kunt geen twee werken tegelijk doen)
  35. Munsterbilzen - Minsters: ter mèt zen klak noë goje (=niet de moeite doen om correct te werken)
  36. Bilzers: pas op daste dich nie mieg moks (=niet te hard werken, hé (laconiek))
  37. Munsterbilzen - Minsters: krab mene raech ès (=voor een paar euros ga ik niet werken)
  38. Werkendams: Gé wet hut hè? (=Je weet het hè?)
  39. Werkendams: Wà gade sjouwe? (=Wat ga je doen?)
  40. Hoekschewaards: Hai het un Baaierlander gezien (=Op dit moment geen zin in werken)
  41. Zeeuws: k heef ur nie om wat a k mo doen a k ne nie mo werkn (=werken)
  42. Werkendams: Da ge bedankt zij da wette (=Dat je bedankt ben dat weet je)
  43. Werkendams: Ge mot nie alles geleuve wa ze schrijven (=Je moet niet alles geloven wat ze schrijven)
  44. Munsterbilzen - Minsters: vannen sjaun toffel zulste nie lang aete (=een vrouw moet niet alleen maar mooi zijn (ze moet ook werken))
  45. Kortrijks: kgao ton nen bustel in min gat stekn en terbinst dak rondlope kan ik nog wa voagn... (=ik ga dan nog meer werken...)
  46. Munsterbilzen - Minsters: tès plezanter te vraaje onder zene werktijd, dan te würke onder zene vraaje tijd (=vrijen is plezanter onder het werk, dan werken onder zijn vrije tijd)
  47. Veurns: zen va werken e stad gemakt en van de (=ze hebben van werken een stad gemaakt en van de rest van de stenen bovenkerke)
  48. Zeeuws: me mossen we vuuf kwatier in n schof werkn (=hard werken)
  49. Rotterdams: Je aige `t leplazerus werruke (=Hard werken)
  50. Turnhouts: van zen gat geeve (=hard werken, lawaai maken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen