Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


5 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `weinig`

  1. hij heeft weinig ondernemingszin (=schrik hebben voor het onbekende)
  2. te weinig om te leven en te veel om te sterven (=een te kleine aalmoes)
  3. veel beloven en weinig geven, doet de gek in vreugde leven (=veel mensen zijn al blij met een belofte en geloven alles)
  4. veel geblaat/geschreeuw maar weinig wol (=veel woorden hebben maar in de praktijk komt daar weinig van terecht)
  5. weinig armslag hebben (=weinig ruimte hebben om uit te breiden of weinig mogelijkheden hebben, meestal in geld uitgedrukt)

62 betekenissen bevatten `weinig`

  1. Bakkerskinderen eten oud brood. (=Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  2. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  3. vragen kost geen geld (=al heb je weinig kans, je kan het in elk geval maar vragen)
  4. een bodemloos vat zijn (=altijd te weinig van iets zijn of opraken)
  5. zo gaan er twaalf in het dozijn (=dat heeft weinig waarde)
  6. zo gaan er dertien in een dozijn (=dat heeft weinig waarde, is niet zo bijzonder)
  7. dat is een aalshuid (=dat is van weinig waarde)
  8. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  9. thuis is in je schuur (=dit wordt gezegd als je weinig thuis bent)
  10. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  11. een lulletje rozenwater (=een weinig dynamisch persoon)
  12. een zwaar hoofd in iets hebben (=er weinig kans in zien)
  13. ergens geen houvast aan hebben (=er weinig mee kunnen doen)
  14. ergens geen pap van gegeten hebben (=er weinig over weten)
  15. van pomp noch pompstang weten (=erg dom zijn, weinig weten)
  16. op een zuinigje (=erg goedkoop - weinig moeite doend)
  17. met het verstand van een garnaal (=erg weinig verstand, erg dom)
  18. zich op glad ijs wagen/begeven (=ergens over gaan praten waar die weinig van af weet)
  19. iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van eten : het is de moeite niet, het is te weinig)
  20. het zout in de pap verdienen (=heel weinig verdienen)
  21. er is reuk noch smaak aan (=het is weinig waard, het is niet interessant)
  22. zo gesloten als een oester (mossel) (=hij zegt weinig en laat niets los)
  23. iemand iets aansmeren (=iemand iets (weinig waardevols) verkopen)
  24. iemand te kort doen (=iemand te weinig geven of begrijpen)
  25. van zijn mast een schoenpin maken (=iets goeds bederven om iets van weinig waarde te bekomen)
  26. met een metworst naar een zij spek gooien (=iets weinig waardevols opofferen om iets waardevols terug te krijgen)
  27. ik geloof er in als een jood in Jezus Christus (=ik geloof er maar weinig in)
  28. Zijn maag wel aan de kapstok kunnen hangen. (=In moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig eten kan kopen.)
  29. in het niet zinken (=in vergelijking met iets anders nog weinig waarde hebben)
  30. vissenbloed hebben (=koudbloedig zijn, weinig gevoel hebben, niet gauw koud hebben)
  31. beter ermee verlegen dan erom verlegen (=liever van iets te veel dan van iets te weinig hebben)
  32. voor stoelen en banken praten (=maar weinigen die naar iemands verhaal luisteren)
  33. zich er met Jantje van Leiden afmaken (=onzorgvuldig zijn en weinig aandacht aan het werk besteden)
  34. iets in de wacht slepen (=op oneerlijke manier verkrijgen, iets in bezit krijgen voor weinig geld)
  35. met de Franse slag (=slordig, met weinig aandacht uitgevoerd)
  36. strak houden (=streng opvolgen - weinig toelaten)
  37. handen te kort komen (=te weinig hulp hebben , overstelpt worden)
  38. een nummer zijn (=van weinig betekenis zijn of althans zo behandeld worden)
  39. van likmevestje (=van weinig waarde, waardeloos)
  40. een grote lantaarn, een klein licht (=veel praat, maar weinig verstand)
  41. veel geblaat/geschreeuw maar weinig wol (=veel woorden hebben maar in de praktijk komt daar weinig van terecht)
  42. anderhalve man en een paardenkop (=weinig aanwezigen)
  43. bang voor zijn hachje zijn (=weinig durven en bang zijn om gevaar te lopen)
  44. een klein hartje hebben (=weinig durven/gauw bang zijn)
  45. geen bokkensprongen kunnen maken (=weinig geld hebben om extra dingen te kunnen kopen)
  46. een ongeletterde boer (=weinig geleerd persoon)
  47. voor halve vracht meevaren (=weinig gewaardeerd worden)
  48. tegen elf ogen dobbelen (=weinig kans hebben)
  49. de tijd aan zich hebben (=weinig of niets te doen hebben)
  50. weinig armslag hebben (=weinig ruimte hebben om uit te breiden of weinig mogelijkheden hebben, meestal in geld uitgedrukt)

Het dialectenwoordenboek kent 99 spreekwoorden met `weinig`

  1. Texels: 't skéénstert (=het weinige licht wordt weerkaatst)
  2. Munsterbilzen - Minsters: get autte sjikkebak (=iets van weinig waarde)
  3. Nijlens: ne scheet in 'n fles (=heel weinig)
  4. Sin tunnis: unnen hultere (=iemand met weinig uitstraling)
  5. turnhouts: da stekte in oewen hollen taant (=te weinig eten krijgen)
  6. Zurriks: Ne stroek van unne vent (=weinig meegaand figuur)
  7. Deinzes: een reactie lijk nen duu'n ond (=dode hond) (=weinig reactie)
  8. Zunderts: nun ouwe pap rentenier (=iemand die met weinig geld probeert rond te komen met zo weinig mogelijk werk)
  9. Westerkwartiers: da's moar 'n wazz'n neus (=dat stelt maar weinig voor)
  10. Bilzers: ne graute lantiën met e klee lichske (=een grote mondmet weinig inhoud)
  11. Munsterbilzen - Minsters: doë mauste mene rëg èns vür sjoere (=dat is te weinig betaald)
  12. Waregems: 't doe hem nie feele veurn (=het komt weinig voor)
  13. Lichtervelds: tschilde gièèn oar van ne kletsekop (=het scheelde zeer weinig)
  14. Munsterbilzen - Minsters: vür liëg stiel en banke ston kalle (=voor weinig publiek optreden)
  15. Barnevelds: `Aarg geschrouw, mer weinig wol,` zei de boer en hie had 't vaarke onder 't mes (=Veel geschreeuw, maar weinig wol)
  16. Oudenbosch: dan zijde wijt vanuis (=dan is er weinig meer aan te doen)
  17. Maas en waals: hij het gin naogel um zun reet te krabbe (=hij heeft weinig geld)
  18. Budels: hie zal ur de bril nè van beschieten (=hij krijgt weinig te eten)
  19. Oudenbosch: kan ut nie sjuust passe (=ik heb te weinig klein geld bij)
  20. Koersels: knetser (=wie weinig eet of veel zaken niet lust , vooral gezegd van kinderen)
  21. Ninoofs: z'emmen em ne plasj in d'and gegeven (=ze hebben hem (te) weinig betaald)
  22. Steins: emes dae pik wie 'n 'in (=Iemand die slecht of weinig eet)
  23. Westerkwartiers: da's lang niet genog (=dat is veel te weinig)
  24. Veurns: mor eet'n lik è mussjche (=maar weinig eten)
  25. Kortemarks: tschilt de wêireld nieë (=het scheelt maar weinig)
  26. Tilburgs: aanderhalleve meens èn unne pèèrdekòp (=heel weinig publiek)
  27. Munsterbilzen - Minsters: autlégge,ja! (=veel gescheer maar weinig wol)
  28. Opglabbeeks: tis zu lank esdettet breit is (=weinig verschil)
  29. Hansbeeks: drei man en nen peirdekop (=weinig volk)
  30. Zeeuws: zou tn di zn broek nie an schoorn (=weinig)
  31. Astens: 't is nie veul soeps (=weinig inhoud)
  32. Diesters: zennen tijt wuit kuit (=weinig levenstijd)
  33. Veurns: moar e trutartje sjchillen (=weinig schelen)
  34. Liemers: Toch nog te weinig van mien laeve in de kroeg gezaete. (=Een nuchtere vader van meer meerlingen)
  35. Veurns: Gin oar schill'n (=Heel weinig schelen)
  36. Kortemarks: tschilt gièène scharding (=het scheelt maar weinig)
  37. Veurns: 't Is s heeël'n opraap! (=Ironische uitdrukking voor \)
  38. Geffes: Tis kort dag (=weinig levenstijd meer hebben)
  39. Westerkwartiers: veul lopers, moar gien kopers (=veel publiek, weinig handel)
  40. Veurns: nie vele gin vente hen (=weinig verkopen)
  41. Heerlens: lueëter iggen erm (=weinig spierkracht)
  42. Westerkwartiers: d'r zat annerhaalf man en 'n peerdekop (=er was maar weinig publiek)
  43. Diesters: dieën hijt et ok ni brieëd (=hij heeft weinig geld)
  44. Ninoofs: 't es iet ooëtj de sjikkenbak (=het is iets van weinig waarde)
  45. Sint-Katelijne-Waver: Veul gescheir en waaneg wol (=Veel gescheer en weinig wol)
  46. Moes: een gruëte broek mee e klein pietjen (=veel verpakking met weinig inhoud)
  47. Sevenums: Fiêze verkes waeren nit vet (=Wie weinig lust zal slecht groeien)
  48. Zwols: niet weinig völle (=heel veel)
  49. Opglabbeeks: det stêk ich in miene holle tant (=dat is te weinig eten)
  50. Veurns: mor è maager beeësje zien (=een weinig interessante zaak zijn)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen