Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


51 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vallen`

  1. achter de puttings overboord vallen (=reddeloos verloren zijn)
  2. Als de ene blinde de ander leidt vallen ze beiden in de gracht (=Wanneer onbekwamen andere onbekwamen adviseren gaat het fout)
  3. als Pasen en Pinksteren op één dag vallen (=iets wat nooit zal gebeuren)
  4. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  5. de mussen vallen (dood) van de daken (=het is snikheet)
  6. de regen schuwen en in de sloot vallen (=door iets onaangenaams te ontwijken in nog groter problemen komen)
  7. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  8. de snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen (=ik ben op goede plaatsen beland)
  9. door de mand vallen (=van een lager niveau blijken te zijn dan de buitenwereld tot dan toe had gedacht)
  10. Door de mand vallen (=Doorzien worden)
  11. Een oude vrouw en een oude koe, die vallen toe, maar een oude man en een oud paard zijn niets meer waard. (=Een oude vrouw kan soms nog wel wat doen, maar aan een oude man heb je niets dan last)
  12. ergens over vallen (=zich een probleem aantrekken)
  13. Het is maar hoe de kaarten vallen (=Het hangt van het lot af)
  14. het kwartje is gevallen (=hij heeft het begrepen)
  15. hij is niet op z'n achterhoofd gevallen (=hij is behoorlijk slim; hij heeft iets wel in de gaten)
  16. hij is van zijn paard gevallen (=hij heeft zijn positie verloren)
  17. Hij is van zijn paard gevallen. (=Hij heeft zijn positie verloren)
  18. in de luwte vallen (=op minder luide toon verder praten)
  19. In de patatten vallen (=Flauwvallen)
  20. in de rede vallen (=onderbreken, het woord ontnemen)
  21. in de termen vallen (=ergens in aanmerking voor komen)
  22. in duigen vallen (=plannen die niet doorgaan / uiteenvallen - verloren gaan)
  23. in goede aarde vallen (=door de ontvanger goed ontvangen worden)
  24. in het hoekje zitten waar de slagen vallen (=zich in een groep bevinden die altijd het moeilijk heeft of problemen krijgt)
  25. in het oog springen/vallen (=de aandacht trekken)
  26. in het schot vallen (=precies tijdens het startschot vertrekken)
  27. in het water vallen (=falen (een opzet, een voornemen, een plan), mislukken, niet doorgaan)
  28. met de deur in huis vallen (=meteen ter zake komen / onmiddellijk over datgene beginnen waarvoor men kwam zonder)
  29. met de neus in de boter vallen (=door geluk rijk geworden zijn)
  30. met vallen en opstaan (leren) (=door mislukkingen leren)
  31. met zijn gat in de boter vallen (=(onverwacht) goed terechtkomen)
  32. met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen)
  33. niet op zijn mondje gevallen zijn (=precies duidelijk maken hoe iemand over iets denkt)
  34. op het veld van eer gevallen (=eervol gesneuveld)
  35. op zijn achterhoofd gevallen (=gek)
  36. Paarden vallen ook al hebben zij vier benen. (=Iedereen maakt fouten)
  37. tussen twee stoelen in de as vallen (=er bekaaid vanaf komen)
  38. uit de boot vallen (=een eigen gang gaan)
  39. uit de koets vallen (=ontnuchterd worden)
  40. uit de lucht komen vallen (=doen alsof men van niets weet / erg plotseling en onverwacht)
  41. Uit de toon vallen (=Anders zijn dan de anderen)
  42. uit z`n rol vallen (=tijdens het spelen iets zeggen of doen wat niet bij de rol hoort)
  43. van de sokken gaan/raken/vallen (=bewusteloos vallen)
  44. van kwaad tot erger komen/vervallen (=steeds erger worden)
  45. van Scylla in Charybdis vervallen/geraken (=van moeilijke omstandigheden in nog moeilijkere omstandigheden terechtkomen)
  46. van zijn voetstuk vallen (=ontmaskerd worden - de macht ontnomen worden)
  47. waar de boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  48. waar gehakt wordt, vallen spaanders (=waar werk verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt)
  49. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  50. zelfs de beste breister laat wel eens een steekje vallen (=ook al kan iemand iets heel goed, hij of zij zal ook wel eens een fout maken; dat is vergeeflijk)

27 betekenissen bevatten `vallen`

  1. Heeft de duivel 't paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  2. van de sokken gaan/raken/vallen (=bewusteloos vallen)
  3. op zijn poot spelen (=boos uitvallen)
  4. alleen een piepend wiel krijgt olie (=door zich opvallend te gedragen bekomt men aandacht)
  5. het tiend betaald hebben (=erg afgevallen zijn)
  6. een vaantje strijken (=flauw vallen, sterven, het opgeven)
  7. In de patatten vallen (=Flauwvallen)
  8. van zijn stokje gaan (=flauwvallen)
  9. het zeil strijken (=het opgeven / flauw vallen / van iemand verliezen)
  10. het zal zo n vaart niet lopen (=het zal wel meevallen)
  11. hij heeft een paling (snoek) gevangen (=iemand die per ongeluk in het water is gevallen)
  12. de pik op iemand hebben (=iemand voortdurend plagen of aanvallen)
  13. iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zich alles moeten laten welgevallen))
  14. dat zal hem niet glad zitten (=iets zal niet meevallen en moeilijk zijn)
  15. uit zijn slof schieten (=kwaad uitvallen, boos worden )
  16. men moet zijn hoed niet afnemen, voor men gegroet wordt (=men moet een ander nooit in de rede vallen)
  17. in iemands schaduw staan (=niet opvallen omdat iemand anders meer opvalt)
  18. iemand naar de keel vliegen (=op iemand erg kwaad worden, aanvallen, ermee vechten)
  19. de grote klok luiden (=op opvallende wijze bekend maken)
  20. de blits maken (=opvallen)
  21. in de kijker lopen (=opvallen)
  22. in het oog lopen (=opvallen)
  23. in duigen vallen (=plannen die niet doorgaan / uiteenvallen - verloren gaan)
  24. op je plaat gaan (=vallen)
  25. onder de voet raken (=vallen)
  26. hollen of stilstaan (=van het ene uiterste in het andere vallen)
  27. zich iets laten aanleunen (=zich iets laten welgevallen)

Het dialectenwoordenboek kent 77 spreekwoorden met `vallen`

  1. Antwerps: de grond kusse (=vallen)
  2. Tiens: nen tallaj gowen (=hard vallen)
  3. Moes: vannau zelven goan (=flauw vallen)
  4. Sint-Niklaas: fla vallen (van zènne suus goan) (=in zwijm vallen)
  5. Zeeuws: kie uut ai er nie ofsoenkeld (=er af vallen)
  6. Hoogstraats: van zenne sus goan, van z'n stokske goan (=flauw vallen)
  7. Brakels: va zij zelve goan (=in zwijm vallen)
  8. Munsterbilzen - Minsters: van zene stek (klot) gon (=in zwijm vallen)
  9. Munsterbilzen - Minsters: op zen petatte valle (=op zijn gezicht vallen)
  10. Zeeuws: tvaalt erin as een preek in un ouderlienk (=vallen)
  11. West-Vlaams: Up u doze vollen, ip ui mulle dèssen (=Op je gezicht vallen)
  12. Gouda: Voor gaas gaan (=Toch ergens voor vallen, ergens intuinen)
  13. Lichtervelds: in etwieë ze roapn schytn (=bij iemand in ongenade vallen)
  14. Gelaens (Geleens): Sjans höbbe (=In de smaak vallen)
  15. Klings: van zijn stokken goan (=in zwijm vallen)
  16. Kortemarks: in etwie ze groasje stoan (=in iemands smaak vallen)
  17. Brugs: up sin smikkele voalen (=op zijn gezicht vallen)
  18. Bevers: Staal omvaar paren (=Uit één stuk omver vallen)
  19. Munsterbilzen - Minsters: van zene klot (ze klötsje) gon (=in zwijm vallen)
  20. Bilzers: ne ferme pos pakke (=zwaar vallen)
  21. Waregems: slaggelings omverre voln (=achterover vallen)
  22. Ninoofs: van a zelven droeën (=bewusteloos vallen)
  23. Erps: vanannen sus goan (=in zwijm vallen)
  24. Bevers: De liefde kan zowel op ne stroont vallen as op een roois (=De liefde kan zowel op een stront vallen als op een roos)
  25. Moes: van zen berreken vallen (=flauw vallen)
  26. Hulsters (NL): op zain stèr vallen (=op zijn gezicht vallen)
  27. Eesjdens: De musje valle van ut doak. (=De mussen vallen van het dak ( het is heel warm ))
  28. Veurns: èn oogsj' èn op etwieën (=zijn oog laten vallen hebben op iemand)
  29. Veurns: In de leurieng van 'n aav'nd (=Bij 't vallen van de duisternis)
  30. Tilburgs: ge kunt un dikken tokus krijgen gij (=je kunt kapot vallen)
  31. Bilzers: zal ich zen billekes és raud maoke (=seffels vallen er klappen)
  32. Hoogstraats: zen blaffeture vallen dicht (=hij valt in slaap)
  33. Vechtdals: loat oe maar neer vallen (=ga lekker zitten)
  34. Gents: van 't Lam Gods geslegen zijn (=aan de grond genageld zijn - uit de lucht vallen)
  35. Rillaars: Van ze/heur zelve goan of Van zenne/heure sus goan of Van zenne/heure klot valle (=flauw vallen)
  36. Waregems: steek het oit ui oeëft (=denk er niet meer aan, laat het vallen)
  37. Sint-Niklaas: iemand poütsje schjeiren (=iemand laten vallen over je uitgestoken been)
  38. Bilzers: ich wiët van toete noch bloeëze (=ik kom uit de lucht vallen)
  39. Westerkwartiers: ok 't beste peerd strukelt wel es (=ook de besten laten wel eens een steekje vallen)
  40. Kaatsheuvels: Speule en meepessaant rammelt du'n buil (=Spelen en ondertussen vallen de prijzen)
  41. Bilzers: de kons geen eer bakke zonderze te braeke (=waar gehakt wordt, vallen spaanders)
  42. Bilzers: ich daar mene mond nie riere, ofte zits opmech (=als ik wat zeg, begin je me al aan te vallen)
  43. Kinrooi: Vrouldje-emancipatie hiltj op es ze mètte wage in pan valle! (=Vrouwen-emancipatie houdt op wanneer ze met de wagen in panne vallen!)
  44. Steins: Emes de vot oet hange (=Iemand continu lastig vallen)
  45. Munsterbilzen - Minsters: zen plaffeture vallen al vanzelf tau (=je bent moe)
  46. Bredaas: op de klep vallen (=komen eten)
  47. Opglabbeeks: in griezelemente valle (=in stukken uit elkaar vallen)
  48. Tilburgs: op oewen öster valle (=op je gat vallen)
  49. Rillaars: nen totter doen of nen totter moake (=vallen)
  50. Leefdaals: zain plaffeteure valle toë (=zijn ogen vallen dicht)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen