Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


19 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `stuk`

  1. als hamerstuk behandelen (=het voorstel zonder discussie aannemen.)
  2. dat is een stuk! (=dat is een aantrekkelijk persoon.)
  3. een goed mondstuk hebben (=goed kunnen spreken)
  4. een stuk in de kraag drinken. (=zich dronken drinken.)
  5. een stuk in zijn kraag hebben (=dronken zijn)
  6. een stuk of tig (=een onbekend aantal)
  7. het leven is net een krentenbol, met af en toe een hard stukje. (=het leven is niet een en al geluk maar kent soms ook tegenslag.)
  8. iemand van zijn stuk brengen. (=iemand onzeker maken.)
  9. iets te verhakstukken hebben (=nog iets met iemand te bespreken hebben, nog iets te doen hebben)
  10. in een stuk door (=ononderbroken)
  11. lik op stuk krijgen/geven. (=afgestraft worden/afstraffen)
  12. men moet een paard de rug niet stukrijden (=men moet niet altijd te veel eisen)
  13. op geen stukken na (halen) (=met grote achterstand iets niet halen)
  14. op zijn stuk staan (=zich niet laten ompraten en bij de eigen mening blijven)
  15. stukken maken (=een grote indruk maken , veel kapot maken)
  16. van zijn stuk raken (=onzeker worden en niet meer weten wat te zeggen)
  17. van zijn voetstuk stoten (=de macht ontnemen - ontmaskeren)
  18. van zijn voetstuk vallen (=ontmaskerd worden - de macht ontnomen worden)
  19. voet bij stuk houden (=niet toegeven, bij de eigen ideeën blijven)

10 betekenissen bevatten `stuk`

  1. aan de lopende band. (=aan één stuk door; steeds maar weer.)
  2. tegen de klippen op gaan (=aan een stuk doorgaan (met liegen))
  3. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen. (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd.)
  4. een tip van de sluier oplichten (=een klein stukje van het onbekende onthullen)
  5. een tipje van de sluier oplichten (=een klein stukje van het onbekende onthullen)
  6. als de kat om de hete brij (draaien). (=een netelig vraagstuk vermijden, niet ter zake komen)
  7. een Salomonsoordeel vellen (=met een heel vraagstuk een zeer wijze en goede beslissing nemen)
  8. uit de lijken geslagen (=totaal van zijn stuk gebracht)
  9. veel kleintjes maken een groot (=veel kleine stukjes leveren uiteindelijk ook een geheel op)
  10. vele kleintjes maken een grote (=veel kleine stukjes leveren uiteindelijk ook een geheel op)

Het dialectenwoordenboek kent 122 spreekwoorden met `stuk`

  1. Rotterdams: aan gort slaan; verrot slaan (=stukslaan)
  2. Brabants: gifde gij mijn ffkes een stukske kaes (=mag ik een stukje kaas)
  3. Waregems: 'n stik of vijve (=vijf stuks)
  4. Westerkwartiers: stukje bij beedje (=stukje voor stukje)
  5. Amelands: een twe hanz stukje of een een hanz stukje (=een een hands stukje of een twee hands stukje)
  6. Lottums: Snammel (=stukje draad)
  7. Rotterdams: Un stukkie brood (=Een halfje brood)
  8. Westerkwartiers: de voas viel aan gruzels (=de vaas viel aan stukjes)
  9. Opglabbeeks: in griezelemente valle (=in stukken uit elkaar vallen)
  10. Waregems: brokke verskeën (=in stukken uiteen gevallen)
  11. Westerkwartiers: die komt er op gien stukk'n noa (=die komt er bij lange na niet)
  12. Koersels: E stuk in zen vujt (=Een stuk in zijn kraag)
  13. Overmeers: e snibberken papier (=een stukje papier)
  14. Liessents: Dien hond sprong dwars dur de raom en ha ammal stukskes glas in zunne kop zitte (=Die hond sprong dwars door het raam en had allemaal stukjes glas in zijn kop zitte)
  15. Overmeers: e streepken loemerte (=een stukje lommer)
  16. Sint-Niklaas: iets talvendeur doen (=iets in twee gelijke stukken uiteendoen (breken); iets in twee stukken snijden)
  17. Luyksgestels: 't is mèr 'nnen treej (=het is maar een klein stukje)
  18. Volendams: zon vernamenug brokkie pepier. (=zo'n klein rot stukje papier)
  19. Evergems: 'n stuk in zijnen zjiléé (ook kluten) (=Een stuk in zijn kraag)
  20. Westerkwartiers: goa es wat opzied ! (=ga eens een stukje opzij !)
  21. Mestreechs: sjuif uns 'n bats (=schuif 'ns een stukje door)
  22. Genneps: ooreemes zie.n (=dood, stuk gaan)
  23. Hansbeeks: 't es om ziebe (=Het is stuk)
  24. Munsterbilzen - Minsters: n vaus hugger danne verke (=klein van stuk)
  25. Turnhouts: in frut vaniejen (=totaal stuk, in scherven)
  26. Langemarks: é schorte groot (=een klein stukje (grond))
  27. West-Vlaams: moej een stiksjen en (=wil je een stukje)
  28. Munsterbilzen - Minsters: ich how mèténe de heile patteklang én geddere (=ik sla seffens de hele boel in stukken)
  29. Lebbeeks: zjelee: E stik in a zjelee (=Een stuk in je kraag)
  30. Bilzers: tiëge de klippen op (=aan één stuk door)
  31. Sint-Niklaas: een spie toert (=een stuk taart)
  32. Londerzeels: iet verdestrewere (=iets stuk maken, fout doen)
  33. Mestreechs: de poet stief hawwe (=voet bij stuk houden)
  34. Sint-Niklaas: das nog ne stuken (=die oude man gaat nog kaarsrecht)
  35. Snekers: Ik was stukken! (=Ik was kapot!)
  36. Brabants: ik goa nie vur un stukske worst un hil vereke (vent) in haus hoalen! (=Ik ga voor een stukje worst geen heel varken (een man) in huis halen!)
  37. Helders: een stuk in je reet hebben (=dronken)
  38. Vechtdals: 'n stuk de rugge uutdrukkn (=poepen)
  39. Steins: paol hawwe (=voet bij stuk houden)
  40. Westerkwartiers: zien bek is ien 'e schiederij (=hij praat aan één stuk door)
  41. Brasschaats: da spul is kapot (=dat instrument is stuk)
  42. Overmeers: 'n lapken grond of ne veurschueut grond (=een stuk grond)
  43. Zingems: e stik in zeen botten (=een stuk in zijn kraag)
  44. Overmeers: 'n spie toarte (=een stuk taart)
  45. Hulsters (NL): ut beste vant vèrreke (=het lekkerste stuk)
  46. Vlijtingens: het es noa de kloote (=het is stuk)
  47. Bilzers: Poël haage (=Voet bij stuk houden)
  48. Westerkwartiers: hier benn'n d'enn'n van vot en de stukk'n tuss'n uut !! (=dit is werkelijk helemaal niets !!)
  49. Rillaars: klot ziëp (=stuk zeep,)
  50. Westerkwartiers: hij proat 't honnerd uut (=hij praat aan één stuk door)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen