Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `stond`

  1. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten)
  2. hij stond erbij voor Jan met de korte achternaam (=hij had geen zinvolle activiteit)
  3. hij stond te slapen (=hij lette niet op)
  4. op tijd en stond (=ten gepasten tijde, af en toe)

Het dialectenwoordenboek kent 55 spreekwoorden met `stond`

  1. Bilzers: dich stonds; dich stoêns (=jij stond)
  2. Bilzers: de stonds; de stoêns (=je stond)
  3. Bilzers: stonds dich; stoêns dich (=stond jij)
  4. Bilzers: gae stond; gae stoên (=jullie stonden)
  5. Bilzers: de stondster sjaun bij vür sjüppegek (=hij stond er voor gek bij)
  6. Bilzers: hae stond; hae stoên (=hij stond)
  7. Bilzers: stond ich; stoên ich (=stond ik)
  8. Vechtdals: de bessem stön in de skure (=de bezem stond in de schuur)
  9. Lichtervelds: je wos der nie mee gediend (=het stond hem niet aan)
  10. Waregems: ik ben ip zouwk achter de stok die bachten de deure stond (=ik ben op zoek naar de stok die achter de deur stond)
  11. Westerkwartiers: ze was verbaldereerd (=zij stond helemaal perplex)
  12. Munsterbilzen - Minsters: het goeng van de drup énde raenger (=het congolese dorpje stond blank)
  13. Westerkwartiers: hij ston d'r op 'e neus en oor'n bij (=hij stond er heel dicht bij)
  14. Munsterbilzen - Minsters: dae doech asof ter èn zen broek ho gezeek (gesjieëte) (=hij stond er maar bedremmeld bij)
  15. Vrasens: ij stoond tot oan zijn knoesels in de moor (=hij stond tot aan zijn enkels in de modder)
  16. Munsterbilzen - Minsters: hae stond trop (=de kreupele bleef standvast)
  17. Westerkwartiers: dat ston muurvaast (=dat stond onwrikbaar vast)
  18. Oudenbosch: zaartur tabbernaokul ope (=heur blouse stond open)
  19. Westerkwartiers: ze was heul'ndaal verbaldereerd (=zij stond helemaal perplex)
  20. Terneuzens: de minsen stingen allegoare t'hope op den diek (=de mensen stonden op een kluitje op de dijk)
  21. Munsterbilzen - Minsters: hae kos geen tein mei tëlle (=hij stond er verslagen bij)
  22. Harelbeeks: Ie was ter an en bie (=Hij stond er zeer dichtbij)
  23. Tilburgs: hè ston al vruug òn zun pèpke te lörreke (=hij stond al vroeg aan zijn pijpje te zuigen)
  24. Tilburgs: de waaj stin vòl pisblomme (=de wei stond vol paardenbloemen)
  25. Tongers: hè stoent do wai ne kraaitheilige (=hij stond daar onbeweeglijk)
  26. Munsterbilzen - Minsters: hae heirde nie goed watter zaag (=de lamme stond erop om te kunnen zitten)
  27. Zwevegems: 'k Stone kik doa mee min klètuoren (=Ik stond daar voor piet snot.)
  28. Langemarks: E stong doa lik e bezikt'n zak (=Hij stond er beteuterd bij:)
  29. Westerkwartiers: hij ston buut'n schot (=hij stond op een veilig plekje)
  30. Klemskerks: Stal(h)ille, grooët van wille, grooët van pracht mo' kleeëne va' macht: in Klemskerke en Vlissegem gebruikte ironische karakterisering van de inwoners van het aanpalende dorp Stalhille. De Stalhillenaars stonden bekend als hovaardig en hooghartig (=Stalhille, groot van wille, groot van pracht maar klein van macht)
  31. Ninoofs: 't stond in 't veinsterblad (=je bron is niet betrouwbaar)
  32. Westerkwartiers: hij was heulndaal verbaldereerd (=hij stond helemaal perplex)
  33. Bilzers: de stons; de stoêns (=je stond)
  34. Westerkwartiers: ze was heul'ndaal uut stuur (=zij stond helemaal perplex)
  35. Munsterbilzen - Minsters: ich kos men kas opfraete dat dae klosjaar zjus vër men vitrin stond te baedele (=die zwerver stond recht voor mijn uitstalraam te bedelen)
  36. Bilzers: dae stond aateraon én de raaj waaj ze hiëses voertgoefde (=hij stond zeker in de laatste rij toen ze verstand uitdeelden)
  37. Munsterbilzen - Minsters: hae stond opte foto (=de fotograaf werd geflitst)
  38. Munsterbilzen - Minsters: hae stond oppet ontploffe (=hij ging in woede uitbarsten)
  39. Munsterbilzen - Minsters: On de Hee stond mèt kûrmes een graute tent bau vër viël plezier mokde (=Veel plezier hebben we beleefd in de tent met Heikermis)
  40. Westerkwartiers: hij kon alleen moar toekiek'n (=hij stond er machteloos bij)
  41. Waregems: 'k ginge tewege... (=ik stond op het punt om...)
  42. Tilburgs: ze stin òn den òrecht (=ze stond aan het aanrecht)
  43. Waregems: ie stont drip te kijkn lijnk ne nond ip 'n zieke koe (=hij stond er dwaas naar te kijken)
  44. Bilzers: dat moês tevan koëme\r\ndat wor te verwaachte\r\ndat stond ver de diër (=dat moest een keer gebeuren)
  45. Munsterbilzen - Minsters: as zene kop oppe vèrke stond, zoë ze zègge dattet beiske zik ès (=je ziet er niet uit !!!)
  46. Gents: da azuu ne kop op en virken stond, 'k en at vanzeleve gien uuflakke mier (=van een lelijkaard zegt men)
  47. Westerkwartiers: ze stond'n lienrecht teeg'nover 'n anner (=zij waren het totaal oneens)
  48. Valkenswaards: D'r ston ik nouw mee m'n goei-j gedrag (=daar stond ik nu met mijn goed gedrag)
  49. Westerkwartiers: 't ston leev'msgroot ien 'e kraant (=het stond met grote koppen in de krant)
  50. Ninoofs: 't stond in 't veinsterblad (=Ik weet het, maar ik geef mijn bron niet prijs)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen